Laat duizend parken bloeien

Wetenschapspark Gespecialiseerde ‘parken’ vol onderzoekers moeten van China een wereldmacht in de wetenschap maken. De Chinese overheid zit erbovenop.

Oscar Garschagen

De Moderniseringboulevard in Suzhou voert langs uitgestrekte industrieterreinen, nieuwe appartementen en villawijken met golfterreinen. Na de kruising met de Bron van Innovatielaan met vrolijke bloemperken komt eindelijk Nanopolis in zicht. Het nieuwste Chinese wetenschapspark – een van de 58 – is nu nog een bouwplaats omringd door een woud van hijskranen.

Hier, in het stroomgebied van de Yangtzerivier, tachtig kilometer ten westen van Shanghai, ontdekte Marco Polo in de dertiende eeuw ‘het Venetië van het Oosten, een land van meren, zijde en harige krabben’. Suzhou heet een spreekwoordelijk paradijs te zijn met jadegroene rijstvelden en mistige visvijvers, maar dat romantische China bestaat alleen nog maar op schilderijen en inkttekeningen.

Op de kantoren van Suzhou Nanotech, een staatsbedrijf waar de opmars van het Middenrijk naar ‘wetenschappelijke en technologische supermachtstatus in 2050’ wordt uitgevoerd, hangt deze kunst aan de muren. Het contrast met foto’s van hoge, breed lachende partijfunctionarissen en de twee rijkste ondernemers ter wereld, Warren Buffet en Bill Gates vertelt het hele verhaal.

Als Xijun Zhang, president-directeur van Suzhou Nanotech, zijn Lexus het bouwterrein van Nanopolis opstuurt, zegt hij: “China wil in technologisch opzicht haasje-over naar de toekomst springen. Over een paar jaar moet Nanopolis in Suzhou wereldbekend zijn als centrum van nanotechnologie, en niet alleen vanwege de fraaie architectuur en de frisse lucht, maar ook om de nieuwe producten die we hier hebben ontwikkeld.”

2050 is nog ver weg, maar Xijun Zhang, en met hem alle directeuren van wetenschapsparken en de centrale planners op het Ministerie van wetenschap en technologie, werkt met een andere deadline. In 2020 moet China een volwaardig ‘kennis- en innovatieland’ zijn en dient de economische koers te zijn verlegd. Om een keer de slogan van de Chinese overheid te gebruiken, waarin de koers is samengebald: ‘Made in China moet veranderen in Made by China naar Made for China.’

Op het vijf vierkante kilometer grote bouwterrein, waar honderden bouwvakkers de tekeningen van een Duitse toparchitect omzetten in beton en glas, vertelt hij waarom Suzhou gekozen heeft voor nanotechnologie en niet voor, bijvoorbeeld nieuwe energie, supercomputers of life sciences.

“Toen we in 2008 begonnen na te denken over hoe wij ons industriepark verder zouden kunnen ontwikkelen, waren er al meer dan 50 wetenschapsparken in China, maar geen enkele was helemaal gewijd aan nanotechnologie. We moesten iets nieuws doen en we hadden gelezen dat Bill Gates nanotechnologie de wetenschap van de toekomst had genoemd’’.

Met ‘we’ doelt hij op de overheden van de provincie Jiangsu, de stad Suzhou en het Ministerie van wetenschap en technologie. Alleen voor ‘iets nieuws’ waren er ongelimiteerde overheidsfondsen beschikbaar.

Immers, Peking beschikt al over de it-laboratoria en de onderzoekscentra voor life sciences, stamcelonderzoek, moleculaire- en celbiologie. Baoding is de ‘zonnepanelen- en windmolenstad’ van China, de medische sector zit in Shanghai en Chongqing, net als optische metronics, en de opto-electronica zit in Wuhan. In Tianjin huist de supercomputer, de Tianhe-1. Het ruimtevaartprogramma, een van de peilers onder de Chinese ambities, is in de westelijke provincies gesitueerd.

Zo verdelen de politieke autoriteiten en vakministeries in Peking de taken en de fondsen, waar provincies en steden hard voor moeten lobbyen.

De doorslag gaf, aldus Xijun, dat China bij het registreren van nanotechnologische patenten en publicaties al een van de wereldleiders is en om praktische redenen een eind wilde maken aan de geografische versnippering van onderzoekinstituten, bedrijfjes en opleidingen. “Suzhou is heel geschikt, dichtbij Shanghai, dichtbij de plaatsen waar professoren, investeerders en buitenlandse onderzoekers graag leven. En we zitten dichtbij de industrieterreinen met de belangrijkste ondernemingen van de wereld. Tachtig procent van de Top-500 van Fortune zit hier in de buurt,” zegt hij grijnzend.

Autoracen

In spijkerbroek, poloshirt en blauwe blazer oogt Xijun Zhang als de Californiër die hij enige tijd was en beslist niet als de hoge partijfunctionaris en topambtenaar die hij nu is. De moderne partijfunctionaris is een liefhebber van het jargon van een bedrijfsleider en praat graag over ‘incubatiesubsidies’, ‘taxbreaks’ en ‘wetenschappelijke ecosystemen’.

Xijun heeft een budget van 1,2 miljard euro om Nanopolis te bouwen, naar schatting 3.000 bedrijven te werven of wetenschappers te helpen bij het opzetten van ondernemingen waar hun uitvindingen worden omgezet in bruikbare producten. Wie vandaag komt met een briljant idee, heeft morgen het geld en kan meteen aan de slag in een gehuurd laboratorium, allemaal door de staat verstrekt. “Vergelijk het maar met autoracen. We maken hier de auto’s, we leggen het circuit aan en we doen ons best de beste coureurs binnen te halen”, zegt de beginnende veertiger joviaal.

Nanopolis, dat over uiterlijk twee jaar in vol bedrijf moet zijn, wordt in de Chinese media een ‘Silicon Valley’ genoemd, een etiket dat ook vaak op de 58 andere wetenschapsparken wordt geplakt. Die omschrijving klopt volgens Xijun niet. “Het grote verschil met Silicon Valley in de VS is dat in China de overheid een centrale rol speelt, de overheid is de motor van het innovatiebeleid. Het strategisch plan voor Nanopolis, de financiering van de start-ups, van de universiteit en de onderzoeksinstituten zijn allemaal van de overheid. De professoren zijn lid van de Chinese Academie voor Wetenschappen en in de particuliere bedrijven is de invloed van de overheid groot”, zegt Xijun over het Chinese politiek-academische complex.

De vervlechting tussen partij, academia en de wereld van het geld is hier de gewoonste zaak van de wereld. Xijun is het moderne gezicht van de Communistische Partij van China en de spil van een netwerk van de partij, de overheid en de aan de overheid gelieerde Chinese Academies voor Wetenschappen. Dat netwerk heeft vertakkingen naar het leger, dat het ruimtevaartprogramma leidt, en naar de grote particuliere ondernemingen die vaak door voormalige officieren zijn opgericht.

De Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) waarschuwde in 2007 dat het Chinese systeem enkele grote, ingebouwde nadelen heeft. Kenniscentra concurreren niet met elkaar, er is geen onafhankelijke controle op de uitgaven en al evenmin op de onderzoeksresultaten. Volgens professor George Yip, hoogleraar innovatiemanagement aan de Chinese-European International Businesschool (CEIBS) in Shanghai en aan Harvard University is de waarschuwing niet in de wind geslagen.

“De Communistische Partij van China heeft vele gedaantes en pakt het nu slimmer aan dan een paar jaar geleden, want ze zetten niet al hun kaarten op een of twee onderzoeksinstituten, een paar bedrijven en een paar high-techproducten. De weddenschappen worden over het hele veld verdeeld. Steden concurreren met steden, universiteiten met universiteiten en wetenschapsparken met wetenschapsparken,” analyseert Yip. Hij verwacht dat de besteding van fondsen strenger gecontroleerd zal worden naarmate de economische groei afneemt. “Dat zijn processen die dan vanzelf op gang komen.”

Met een economische groei van meer dan 8 procent, een lichte schuldenlast en een bescheiden financieringstekort kan China zich voorlopig de miljarden euro’s voor onderzoek en ontwikkeling probleemloos permitteren. De 155 miljard dollar (1,9 procent van het bruto binnenlands product) die in 2011 werd uitgegeven aan onderzoek en ontwikkeling (R&D) zal tot 2015 met 20 procent per jaar stijgen.

“Het is een dubbele vuurpijl: in een groeiende economie worden de budgetten verhoogd. Dit is een ontwikkeling die ertoe heeft geleid dat Japan al is ingehaald als het gaat om R&D-uitgaven. Het is een kwestie van tijd voordat de VS, waar 400 miljard dollar naar onderzoek en innovatie gaat, wordt ingehaald,” aldus Yip.

Hij denkt daarom dat China in staat is de ambities om een ‘wetenschappelijke wereldmacht’ te worden, waar te maken. Daar is twijfel over gerezen, niet in de laatste plaats in China zelf waar corruptieschandalen en fraudes met examens, diploma’s en onderzoeken de affaire Stapel doen verbleken.

“China heeft geen andere keus dan de wetenschappelijke en technologische ladder te beklimmen,” zegt Yip. Toen premier Wen, een landbouwkundig ingenieur, zei dat China geen toekomst heeft zonder innovatie van eigen makelij, was dat een gemeende uitspraak. Het scheelt enorm, denkt hij, dat de huidige en toekomstige Chinese leiders zelf ingenieurs en wetenschappers zijn en overtuigd zijn van het belang van investeren in kennisinstituten.

“In het Westen zijn de leidende politici juristen, historici of economen. Helaas is dat zo. Chinese leiders echter hebben vrijwel allemaal iets technisch gestudeerd. Zij snappen daardoor beter het belang van het werk in een laboratorium of een universitair onderzoekscentrum en hebben ook het geduld om te wachten op resultaten,” denkt Yip.

Wasmachine die aardappels wast

Of dat laatste werkelijk het geval is, is de vraag. Chinese leiders kunnen niet wachten op een eerste, wetenschappelijke Nobelprijs. Het is lang geleden dat China de wereld veranderde met innovatieve doorbraken. Het kompas, de seismograaf, het buskruit, het papier, het droogdok, de beweegbare brug: allemaal Chinese vondsten die de wetenschappers van nu nog niet geëvenaard hebben.

Yip zegt: “Het gaat hier nu niet zozeer om 21ste eeuwse rocketscience, hoewel daar ook veel aan gedaan wordt. Het gaat vooral om hele praktische, economisch zeer rendabele producten, zoals de wasmachine waarin ook aardappels gewassen kunnen worden of het televisiescherm dat ook buitenshuis in fel zonlicht goed zichtbaar is. Of de zeer betaalbare elektrische auto, of de wijnkoeler van een paar eurotientjes. Anders dan de VS en Europa kan China zich veroorloven honderden ingenieurs op een probleem te zetten.”

En, vervolgt de managementprofessor: “Heel veel producten in het westen zijn overontwikkeld en daardoor te duur. Chinees wetenschappelijk onderzoek en innovatie zal zich meer richten op het ontwikkelen van producten, op het simpeler en goedkoper maken, dan op wetenschappelijke doorbraken. Neem het goedkope en draagbare cardiogramapparaat, of de kleine koelkast die in een keuken van vijf vierkante meter past. Chinese bedrijven verdienen kapitalen met dergelijke producten in Afrika en het Midden-Oosten, en niet te vergeten China zelf.’’

Grote ondernemingen als de telecommunicatiegiganten ZTE en Huawei en ook de consumentenelektronicaconcerns Hisense en Haier zetten honderden ingenieurs op een deelprobleem. Ook omdat dergelijk onderzoek veel oplevert. Deze en enkele andere Chinese multinationals dienen de meeste patentaanvragen in, en ingenieurs van deze ondernemingen zorgen voor de golf aan Chinese publicaties in gezaghebbende wetenschapsbladen.

Op de lijsten van de Amerikaanse en Europese patentenbureaus staan Chinese bedrijven in de top vijf. Chinese bedrijven beginnen zelfs patentenprocessen in de VS en de EU te winnen. Het zijn ook deze bedrijven die in China zelf in toenemende mate druk uitoefenen op de overheid om de bescherming van patenten te verbeteren. In Suzhou zal naar Shanghais voorbeeld in het wetenschapspark een speciale rechtbank worden geopend voor de behandeling van intellectuele eigendomsgeschillen. “Als Chinese bedrijven zelf last gaan krijgen van het stelen van hun geestelijke eigendommen en patenten is er sprake van een kentering”, aldus Yip.

Het is opmerkelijk dat de succesvolste bedrijven in China niet alleen over royale onderzoeksbudgetten beschikken, maar ook banden met het leger onderhouden, of zelfs uit het Chinese Volksbevrijdingsleger zijn voortgekomen. Het ene bedrijf, Huawei bijvoorbeeld, doet daar geheimzinniger over dan ZTE in Shenzhen of Yingli (zonne-energie). ZTE is hoofdleverancier van het Nederlandse KPN en Yingli domineert met behulp van Nederlandse technologie de wereldmarkt van zonnepanelen.

Professor Yip haalt daar zijn schouders over op: “Het is in de VS, Israël of Turkije niet anders. In sommige sectoren werken bedrijven nauw samen met de strijdkrachten of komen daar rechtstreeks uit voort. Tel maar eens hoeveel voormalige officieren van het Israëlische IDF een succesvol it-bedrijf hebben opgericht, of kijk naar de overlappende netwerken van het Amerikaanse leger en het bedrijfsleven. In China heeft ieder bedrijf, ook de grote internationale en beursgenoteerde ondernemingen, wel iets met de overheid te maken. Ik zie het probleem niet, of beter, ik zie niet het verschil met andere landen met grote, technologisch geavanceerde legers zoals de VS en Israël.”

Na een wandeling over het bouwterrein en een lunch in een van de containerketens rijdt Xijun Zhang terug naar zijn kantoor in welvarend Suzhou. Hij vertelt dat de lat in Suzhou hoog ligt: “We hebben een zeer ambitieus programma en we hebben haast. Wat je hier ziet verrijzen, Nanopolis, is het makkelijkste deel, namelijk gebouwen met laboratoria neerzetten. Bedrijven opzetten en talent werven is ook niet moeilijk. Het moeilijkste is dat nanotechnologisch succes zo langzaam te voorschijn komt. Je kunt uiteindelijk niemand dwingen om creatief en succesvol te zijn en een Nobelprijswinnaar te worden. Maar daar hopen we wel op.”