In de greep van de drone

De onbemande vliegtuigjes met raketten die sneller gaan dan het geluid zijn populair bij de Amerikaanse regering. Maar in gebieden waar ook Talibaan vertoeven zijn ze voor de burgerbevolking een hel op aarde, weet David Rohde uit ervaring.

Ze doden zonder waarschuwing, ze zijn betrekkelijk goedkoop, ze zetten geen Amerikaanse levens op het spel en ze leveren triomfantelijke krantenkoppen op. De afgelopen drie jaar zijn drones stilletjes hét wapen van de regering-Obama tegen terroristen geworden.

Sinds zijn aantreden heeft president Obama vijfmaal zoveel drone-aanvallen laten uitvoeren als George W. Bush in zijn tweede termijn in het Witte Huis. Hij heeft de aanvallen omgetoverd van een zelden gebruikte tactiek die jaarlijks enkele tientallen doden maakte tot een tweewekelijks offensief dat in Pakistan in 2010 meer dan duizend mensen heeft gedood. Afgelopen jaar hebben de Amerikaanse drone-aanvallen zich ook tot Somalië en Libië uitgebreid.

Na de pijnlijke, miljarden vretende Amerikaanse invallen in Irak en Afghanistan zijn drone-aanvallen een talisman in Washington. Voor een overheid die krap zit, schakelen drones de vijanden van de Verenigde Staten uit tegen geringe menselijke, politieke of financiële kosten.

Maar het gebruik van drone-aanvallen in Pakistan heeft in dat land ongekende anti-Amerikaanse gevoelens opgeroepen. De Amerikaanse inlichtingendiensten beweren dan wel dat bij drone-aanvallen maar een handjevol burgers is omgekomen, maar de overgrote meerderheid van de Pakistanen meent dat er duizenden doden zijn gevallen. Nadat de spanningen tussen beide regeringen waren opgelopen, schijnt de Pakistaanse regering afgelopen jaar ook Amerikaanse drone-aanvallen te hebben tegengehouden.

Mijn beeld van de drones is ongebruikelijk. In november 2008 ontvoerde de Afghaanse Talibaan mij samen met twee Afghaanse collega’s buiten Kabul en bracht ons naar de stammengebieden van Pakistan. Zeven maanden lang werden we gevangengehouden in Noord- en Zuid-Waziristan, in die tijd het mikpunt van verreweg de meeste Amerikaanse drone-aanvallen. In juni 2009 ontsnapten we.

Tijdens onze gevangenschap waren de Amerikaanse drones veelvuldig aanwezig in het luchtruim. De onbemande propellertoestellen klonken alsof er een vliegtuigje – een Piper Cub of Cessna – boven ons cirkelde. Het waren donkere vlekken in een blauwe lucht die met het blote oog waar te nemen en te volgen waren. Onze bewakers probeerden uit hun vluchtpatronen af te leiden wanneer ze zouden kunnen toeslaan. Als boven ons twee drones verschenen, meenden ze dat een aanval ophanden was. Soms was dat zo, soms ook niet.

De drones waren angstaanjagend. Vanaf de grond is onmogelijk vast te stellen op wie of wat ze zich richten terwijl ze rondcirkelen. Het gebrom van een propeller in de verte is een aanhoudende herinnering aan de naderende dood. Drones vuren raketten af die harder gaan dan de snelheid van het geluid. Het slachtoffer van een drone hoort nooit de raket die zijn dood wordt.

Onze Afghaanse en Pakistaanse Talibaan-bewakers verachtten de drones als een laffe manier van Amerika om oorlog te voeren. Na de golf van drone-aanvallen in Pakistan in 2009 haatten onze bewakers Obama nog meer dan ze Bush hadden gehaat.

De moeilijkste dag van onze gevangenschap was 25 maart 2009. Laat in de middag vond een drone-aanval plaats vlakbij ons huis in Makeen in Zuid-Waziristan. De raketten die een Amerikaanse drone had afgevuurd, waren op enkele tientallen meters ingeslagen. Nadat op onze binnenplaats kluiten modder en granaatscherven waren neergekomen, dreven onze bewakers me een heuvel af en duwden me in een stationcar. Ik moest met een doek over mijn gezicht gaan liggen en mijn mond houden.

We wisten allemaal dat ik gedood zou worden als de plaatselijke militanten, in hun razernij over de aanval, zouden vernemen dat er een Amerikaanse gevangene in de buurt was. Terwijl ik in die auto lag, hoorde ik de militanten met woedende kreten hun doden verzamelen. Ergens in de verte jammerde een vrouw. Ik zei stilletjes het Onze Vader op.

Na een kwartier brachten de bewakers me weer naar ons huis en legden uit wat er was gebeurd. De raketten van Amerikaanse drones hadden twee auto’s getroffen, zeiden ze, en daarbij zeven Arabische militanten en lokale Talibaan-strijders gedood.

Later hoorde ik dat een van onze bewakers had voorgesteld mij op de plaats van de aanval ritueel te onthoofden. De bewaker die de leiding had, riep hem tot de orde.

De aanvallen zaaiden een kwaadaardige achterdocht onder de Talibaan. Maandenlang hoorden we van onze bewakers over opgepakte burgers die op beschuldiging van spionage voor de Amerikanen op plaatselijke markten werden opgehangen. Meteen na die aanval in Zuid-Waziristan begon een koortsachtige jacht op een lokale spion die de Amerikanen naar de overtuiging van de Talibaan heimelijk naar die twee auto’s had geleid.

Enkele dagen na de aanval vertelden onze bewakers ons dat een lokale bewoner door buitenlandse militanten was gearresteerd omdat hij volgens hen de drones zou hebben aangestuurd. Nadat de jihadisten de dorpeling hadden opengereten en zijn been hadden afgehakt, ‘bekende’ hij een Amerikaanse spion te zijn, zeiden ze. Daarna hadden de militanten de man onthoofd en zijn lijk als waarschuwing in de plaatselijke bazaar gehangen.

Mijn tijd in gevangenschap heeft een enorme sympathie bij me gewekt voor de Pakistaanse burgers die klem zitten tussen de gestoorde Talibaan en de meedogenloze Amerikaanse techniek. Ze wonen in de stammengebieden in een hel op aarde. Beide kampen mishandelen hen.

Ik ben ervan overtuigd dat de Talibaan-beweringen als zouden bij de drone-aanvallen alleen burgerdoden vallen, even onjuist zijn als de Amerikaanse beweringen dat alleen militanten omkomen. Drone-aanvallen zijn geen tovermiddel tegen militanten, maar evenmin een lichtzinnige praktijk die alleen burgers treft. Ze verzwakken militante groeperingen zonder ze uit te schakelen.

Tijdens mijn verblijf in de stammengebieden was het duidelijk dat de drone-aanvallen de militante activiteiten ontregelden. Talibaan-commandanten wisselden veelvuldig van voertuig en omringden zich met weinig lijfwachten om hun identiteit te verbergen. Afghaanse, Pakistaanse en buitenlandse Talibaan vermeden het in groten getale bijeen te komen. Uit angst om opgespoord te worden vond de opleiding van zelfmoordterroristen en bermbommakers in kleine groepen plaats.

Volgens de nieuwsberichten werden in de zeven maanden van onze gevangenschap bij 22 drone-aanvallen in Noord- en Zuid-Waziristan in totaal ten minste 76 militanten en 41 burgers gedood. Sommige aanvallen waren duidelijk geslaagd. Zo reageerden onze bewakers bijvoorbeeld woedend toen Oezbeekse bommenmakers die ze kenden bij een drone-aanval omkwamen. Ook lieten ze mijn Afghaanse collega’s de graven zien van kinderen die naar hun zeggen bij aanvallen waren omgekomen.

Journalisten, mensenrechtenorganisaties of onderzoekers van buiten kunnen onmogelijk met zekerheid de verhouding vaststellen tussen de burgers en militanten die door Amerikaanse drones worden gedood. De Verenigde Staten weigeren bijzonderheden vrij te geven of de aanvallen openbaar te erkennen, en houden vast aan hun geheime karakter.

De aanvallen verzwakken Al-Qaeda en de Pakistaanse en Afghaanse Talibaan door hun leiders te doden, maar de militanten werven weer vrijwilligers en wakkeren het anti-Amerikanisme aan met behulp van overdreven berichten over burgerdoden. Volgens mij scheppen de drones een patstelling tussen de militante groeperingen en de Amerikaanse inlichtingendiensten.

Ook al worden de drones in de Verenigde Staten als een triomf van de Amerikaanse techniek gezien, in Pakistan wekken ze een hevige volkswoede. Overdreven beweringen van de Talibaan over burgerdoden worden in Pakistan alom geloofd en de Pakistanen zien de aanvallen als een flagrante schending van de zogenaamde Amerikaanse steun voor de mensenrechten. „Op korte termijn is het (voor de militanten) een tegenslag”, zei een voormalig VN-functionaris in de regio tegen me – op voorwaarde van anonimiteit. „Voor de gemeenschap als geheel is het verwoestend.”

Het probleem wordt nog verergerd doordat het Pakistaanse leger van de VS ten onrechte mag beweren dat het niets over de drone-aanvallen te zeggen heeft. De Amerikaanse drones opereren met goedvinden van de Pakistaanse strijdkrachten vanaf Pakistaanse luchtmachtbases, maar het Pakistaanse volk krijgt te horen dat een vreemde mogendheid eenzijdige aanvallen in hun land uitvoert en hun soevereiniteit schendt.

Sinds 2001 hebben de Verenigde Staten in nog vijf andere landen drone-aanvallen uitgevoerd: Afghanistan, Jemen, Irak, Libië en Somalië. In Libië voerde het Amerikaanse leger in de zeven maanden van NAVO-bombardementen tegen het bewind-Gaddafi 146 drone-aanvallen uit. Het meest verontrustende patroon is ontstaan in Jemen en Somalië. Het precieze aantal aanvallen in beide landen is onbekend. Plaatselijke media in Jemen maken wekelijks wel melding van een aanval, maar dit weigert de Amerikaanse overheid te bevestigen.

Op 30 september 2011 schiep een drone die boven Jemen vloog een nieuw precedent. Zonder proces of enige openbare rechtsgang vermoordden de Verenigde Staten twee Amerikaanse staatsburgers, Anwar al-Awlaki en Samir Khan. Het doelwit van de aanslag was Awlaki, een Jemenitische Amerikaan geboren in New Mexico, die met zijn charismatische preken terreuraanslagen over de hele wereld heeft geïnspireerd, waaronder de moord in 2009 op dertien militairen in Fort Hood in Texas. Volgens burgerrechtengroeperingen was er een gevaarlijke nieuwe drempel overschreden. Voor het eerst in de Amerikaanse geschiedenis hadden de Verenigde Staten zonder vorm van proces twee van hun staatsburgers terechtgesteld.

Veel deskundigen zeggen dat de VS moeten ophouden met de onzinnige praktijk om te weigeren aanvallen openbaar te erkennen. Ook zijn veel analisten van mening dat Washington moet toegeven aan de aloude eis van de Pakistaanse, Afghaanse en andere lokale overheden tot meer zeggenschap over het gebruik van de drones. Hun redenering is eenvoudig: dan zullen naast de Verenigde Staten ook plaatselijke bestuurders de last dragen om steun van de lokale bevolking voor drone-aanvallen te verwerven.

Drones kunnen de jihadisten bereiken in afgelegen gebergten en woestijnen die voor de Amerikaanse en plaatselijke troepen ontoegankelijk zijn. Ze hebben topmilitanten als de Pakistaanse Talibaan-commandant Baitullah Mehsud, die verantwoordelijk was voor duizenden Pakistaanse burgerdoden bij zelfmoordaanslagen, uitgeschakeld. En ze hebben de opleiding van zelfmoordterroristen en bermbommakers vertraagd, die de meeste slachtoffers niet onder Amerikaanse soldaten maar onder onschuldige Afghaanse en Pakistaanse omstanders maken.

Maar drones alleen zijn niet het antwoord. Op den duur zullen de militanten het verliezen van de gematigde moslims, niet van de techniek.