Ik ben een soort aapje in een kooi

Journalist Joris Luyendijk reisde deze week door Japan om zijn boek aan de man te brengen. „Nieuwe wereld: Japanse vrouw gaat niet naar ons in het Westen om te leren, maar naar Egypte.”

Maandag 16 januari

Na een weekend liefdevolle crowd control mag de jonge vader bijkomen op zijn werk. Om acht uur ’s morgens gaat op mijn blog bij The Guardian een interview met een wiskundestudent ‘live’. Over hoe banken de beste studenten lokken met een uitgekiende mix van vleierij en intimidatie. Via Twitter, Facebook en LinkedIn lok ik mensen naar het stuk, en reageer op de reageerders. Er zit helaas een trol tussen die loopt te stoken. Na vijf maanden blog kan ik melden dat hufterigheid heus niet typisch Nederlands is (alles wat je niet bevalt meteen ‘typisch Nederlands’ noemen, dat is geloof ik wel typisch Nederlands).

Rond het middaguur een interview met ex-bankier; hij handelde in de ‘gestructureerde producten’ die de financiële crisis veroorzaakten. Salaris: vier ton. Niet slecht voor iemand met middelbare school. We zitten in een echte pub. Ik bestel altijd hetzelfde als de geïnterviewde, voor de sfeer. In dit geval een homp gestold slachtafval in bladerdeeg dat ‘pork pie’ heet. Surreëel smerig.

Daarna geef ik een interview aan De Standaard uit België over het blog. Wat zijn Belgische journalisten toch goed voorbereid (even afgeven op ons landje, lekker).

’s Avonds inpakken en door Regent Park gelopen. Vos gezien! Wat lopen die beesten toch mooi, een soort sluipende dans.

Dinsdag

Ik neem de taxi naar Heathrow, prachtig weer, we wonen zo mooi in Noordwest-Londen, naast bijna woeste stukken natuur en toch per metro zeven minuten van The Guardian en een kwartier van de City.

In de ijzeren vogel een lesje nederigheid. Van het geld dat ik met deze trip hoop te verdienen, heb ik mijn ticket geupgrade naar een klasse tussen economy en business. Dus ik vul mijn beenruimte, laat een Bloody Mary komen en dan… loopt het inflight entertainment vast.

Wel weer hilarisch en ergens vast veelzeggend, de omroepberichten in de eerste uren: „We maken nogmaals onze oprechte excuses ‘to those without entertainment’. Stel je voor, elf uur alleen met je gedachten. Geen film of games en na een kwartier denk ik: heerlijk! Even geen opties.

Na de lunch een dutje. Word uren later wakker. Zonder werkend tv-schermpje heb ik geen landkaart waarover zo’n veel te groot vliegtuigje kruipt. Waar ben ik? Siberië? Noordpool? China?

Woensdag

Japan zit eigenlijk nog steeds midden in een kernramp. Het was mij feitelijk ontgaan in het afgelopen superdrukke nieuwsjaar, maar alle voedsel kan besmet zijn. Ambassades vertrekken, buitenlanders leren het karakter voor Fukushima uit het hoofd, zodat ze etiketten kunnen controleren. ‘Made in China’ is nu een pre.

Op het vliegveld word ik afgehaald door Osamu van mijn Japanse uitgeverij, een bereisde kerel van eind twintig die dol is op Guinness bier. Hij begeleidt me de komende zes dagen naar lezingen en interviews. Ik ben een soort aapje in een kooi. Osamu sleept me ergens naartoe, luikje open, aapje eruit, aapje druk praten, aapje terug in kooi, weer verder.

Eerste afspraak is met ene Shigesato Itoi. Een goedlachse blogger van begin vijftig, alert en toch bedachtzaam. Compleet open gesprek, anderhalf uur lang vergeet ik mijn jet lag, hier uit te spreken als jet rag.

’s Avonds dinner party met journalisten. Eentje gaat vrijdag naar Kaïro om uit te zoeken hoe de revolutionairen daar de massa in beweging kregen. Want, zegt ze, in Japan loopt de massa nog steeds achter het establishment aan, ook al heeft die totaal gefaald rond de kernramp. En gaan de leugens mogelijk nog altijd door. Nieuwe wereld: Japanse vrouw gaat niet naar ons in het Westen om te leren, maar naar Egypte.

Journalisten vragen: waarom is het Westen niet meer geïnteresseerd in wat hier gebeurt? Dat zou onze leiders onder druk zetten om opener te zijn. We zijn met onszelf bezig, antwoord ik. Die financiële crisis is als een sneeuwbal die we voor ons uitduwen; hij wordt steeds groter en ontneemt ons alle zicht op de rest.

Donderdag

Het eerste Lost in Translation momentje. Osamu heeft zich verslapen, meldt de receptie. Of ik zelf een taxi kan nemen naar het treinstation. Ik heb nog niet gepind en mijn telefoon doet het niet. Uiteindelijk vind ik een taxi die creditcards accepteert.

We moeten sprinten, en ik stamp als boomlange blanke bijna een gebogen Japans omaatje plat.

Trein naar Osaka gehaald op twee minuten. Je houdt je niet aan de stereotypen over je volk, zeg ik tegen Osamu. Jij hoort supergedisciplineerd veel te vroeg op afspraken te komen, en als er iets mis gaat, hoor je je vreselijk te schamen. Hij grinnikt. „Ik verslaap me heel vaak, ik vergeet gewoon de wekker te zetten.”

Weinig dingen zo leuk als op stap met een local. Heb dit soort boekreizen gehad in Slovenië, Denemarken, Hongarije, Duitsland, Wallonië, Engeland en Australië. De toerist spelen vind ik niks, maar dit is Reizen met hoofdletter. Terwijl we langs Mount Fuji flitsen, lees ik op Osamu’s telefoon mijn email. Er komt een Spaanse vertaling! Dus in de herfst weer zo’n trip. Olé!

We zijn in Osaka voor een lezing, daarna dineren op uitnodiging van opgewekte vent van het Nederlandse consulaat. Blijkt dat mensen in Osaka bekend staan als grappenmakers. Tokyo heeft een ernstig imago.

Vrijdag 20 januari

Terug in Tokyo. Daar zit ik nu, op de negentiende verdieping van mijn hotel. Een soort vriesregen daalt neer over de stad. Tokyo lijkt verrassend verlept, ik denk steeds: ja, zo zag een rijk land eruit, met dit soort architectuur en infrastructuur, midden jaren negentig. Maar we zijn twintig jaar verder. Het vliegveld was bijna net zo afgeragd als JFK in New York.

Je moet naar China, zegt Osamu. „Alles is daar nieuw. De metro is nog veel drukker. Mensen staan niet in de rij, ze stormen allemaal tegelijk naar binnen en naar buiten.” Hij grinnikt. „Japanners zijn heel anders.”

Vanavond nieuwe lezing, hele weekend interviews. Wat een feest, over journalistieke vernieuwing praten met geïnteresseerde en deskundige Japanners. Dadelijk dit dagboek mailen, voelt even als de goede ouwe tijd toen ik als correspondent Midden-Oosten voor deze zelfde bijlage lange verhalen over de aanloop naar de Irakoorlog maakte. Is alweer acht jaar geleden. Zoals de laat twintigste eeuwse denker Peter Koelewijn het uitdrukte: ‘Je wordt ouder, papa, geef het maar toe.’