Het 'radicale' midden

Er is geen wet die kan voorkomen dat politieke partijen verdwijnen of worden gemarginaliseerd. Zeker bij het CDA zal dit besef bestaan, want het Christen-Democratisch Appèl was 42 jaar geleden de optelsom van drie confessionele partijen (KVP, ARP en CHU) die daarvoor bij achtereenvolgende verkiezingen waren geconfronteerd met een afkalvende achterban.

Het was dus logisch dat het CDA zich genoodzaakt voelde om zich op zijn positie en zijn koers te beraden, nadat het in 2010 voor de tweede keer in zijn geschiedenis een geduchte nederlaag (20 zetels) had geleden bij de landelijke verkiezingen. Te meer daar opiniepeilingen daarna alleen maar wezen op verdere teruggang.

Het gisteren gepresenteerde rapport Kiezen en Verbinden is een uitvloeisel van deze wens tot zelfreflectie. Het wordt vandaag aan de leden aangeboden en als die er later dit jaar hun goedkeuring aan geven, zal het werkstuk van het ‘Strategisch Beraad’ het uitgangspunt voor het nieuwe verkiezingsprogramma worden.

De voorzitter van het Strategisch Beraad, oud-minister en voormalig CNV-bestuurder De Geus, en partijvoorzitter Peetoom positioneerden hun partij gisteren in „het radicale midden”. Een merkwaardig begrip, eerder al gemunt door D66, dat klinkt als een contradictio in terminus. Het „radicale midden” is volgens het rapport „de synthese” van overheid en markt, van economie en ecologie, van links en rechts. Het doet sterk denken aan wat de eerste CDA-leider, oud-premier Van Agt, in de jaren zeventig al zei: „Het CDA buigt niet naar links en niet naar rechts.”

Waar tegenwoordig VVD en PvdA ook nogal eens als middenpartijen worden geduid, vertoeft het CDA nu blijkbaar in het midden van het midden. Wat vanzelfsprekend het goed recht is van een politieke partij. En overigens is het CDA ook nog altijd een christen-democratische partij waarvoor „de bijbel en christelijk-sociale traditie” onverminderd als bronnen dienen.

Voor de rest van Nederland is vooral van belang of het CDA met zijn nieuwe keuzes, of zijn oude keuzes in een nieuwe terminologie, uit de pas gaat lopen met het kabinetsbeleid. Dat lijkt niet het geval te zijn. Peetoom onderstreepte gisteren dat het CDA nog altijd achter zijn handtekening onder het regeerakkoord staat en dat het Strategisch Beraad zich op een verdere toekomst, de agenda tot 2025, heeft gericht. Dat neemt niet weg dat het CDA in het rapport opvattingen huldigt die vooral beduidend afwijken van wat gedoogpartner PVV zoal voorstaat. Maar eigenlijk is dat niet verrassend: dat gold ook al voor het laatste verkiezingsprogramma.

Op terreinen als onderwijs, milieu, fiscaliteit en sociale zekerheid bevat ‘Kiezen en Verbinden’ suggesties die aansluiten bij wat voor de hedendaagse maatschappij geboden lijkt. Voorzichtig probeert het CDA verdere stappen te zetten naar een beperking van de hypotheekrenteaftrek, beprijzing van automobiliteit wordt opnieuw aangetipt en er worden veel woorden gewijd aan duurzaamheid en solidariteit. Maar als gezegd: meer dan een aanzet voor wat misschien het verkiezingsprogramma wordt, is dit nog niet.

Met het gisteren gepresenteerde rapport is het CDA er opnieuw in geslaagd aan de weg te timmeren. De activiteiten van het wetenschappelijk bureau van de partij, de oprichting van een werkgroep als het Strategisch Beraad en de levendige bijeenkomsten die congressen van het CDA de laatste tijd plegen te zijn, laten zien dat de partij er nog lang niet aan toe is om de handdoek in de ring te gooien. Ook al voorspellen de dagkoersen van de opiniepeilers weinig goeds. Het zijn inspanningen die andere partijen met een weglopend electoraat, neem de PvdA, tot voorbeeld strekken.

Maar alle partijactiviteiten ten spijt, het zijn straks niet de leden, maar de kiezers die de toekomst en de kracht van het CDA bepalen. Hoe zeer het ook kan worden betreurd, zij laten hun voorkeur niet bepalen door de uitkomsten van een strategisch beraad of de details van een verkiezingsprogramma. Daarom heeft het CDA zijn voornaamste keuze nog te maken: de nieuwe partijleider.