Het open huwelijk van Karl en Jenny Marx

Elsbeth Etty neemt wekelijks de stapel binnengekomen boeken door, signaleert en geeft een oordeel. Over de kunst van het honkbalboekvertalen en het geloof van Wilhelmina.

Ietwat wantrouwig heb ik uitgekeken naar de vertaling The Art of Fielding van Chad Harbach. Hoe vertaal je al die honkbaltermen en in begrijpelijk Nederlands? Alleen de titel al. Die luidt in de vertaling van Joris Vermeulen De kunst van het veldspel (De Bezige Bij, 527 blz. €19,90). In de eerste alinea wordt hoofdpersoon Henry Skrimshander geïntroduceerd als ‘een schriel groentje van een korte stop, vlug te been, maar zwak met de knuppel.’ Niet sterk. Gelukkig is de naar Melville’s Moby-Dick verwijzende tekst op de T-shirts van Henry’s universiteit ‘OUR DICK IS BIGGER THAN YOURS’ onvertaald gelaten en valt het Nederlands na de eerste alinea dik mee. Het blijft ‘een boek om in te verdwijnen’ (Ellen de Bruin, Boeken 16-12-11). Aanstaande vrijdag in Boeken een interview met de auteur van dit Amerikaanse droomdebuut.

‘O nschendbaar geheim van Parijs! Een prostituee, een matroos en een hond hielpen mij die nacht om je te doorgronden.’ Ronduit meesterlijk is Mirjam de Veths vertaling van de adembenemende roman van surrealist Philippe Soupault, De laatste nachten van Parijs uit 1928 (Coppens & Frenks, 157 blz. € 24,95). Bijzonder goed en instructief is ook het nawoord van de vertaalster over de Franse surrealisten dat, met een verwijzing naar Nescio’s Titaantjes zo begint: ‘Jongens waren het, onaardige jongens. En daar hadden ze alle reden toe. Louis Aragon (1897-1982), André Breton (1896-1966) en Philippe Soupault leerden elkaar kennen in 1917.’

De enige nazaat van Karl Marx die de Russische revolutie in datzelfde jaar 1917 meemaakte, was zijn buitenechtelijke zoon Freddy (hij heeft zelfs Lenin ontmoet). Karl Marx leidde niet alleen een onstuimig leven als revolutionair denker. Onstuimig was ook zijn gezinsleven, dat door de Britse journaliste Mary Gabriel wordt beschreven als een ‘bitterzoet drama’. Liefde en kapitaal. Karl en Jenny Marx en de geboorte van een revolutie (Bert Bakker, vert. Roland Fagel, 908 blz. € 49,95) is gebaseerd op duizenden brieven, deels opgediept uit archieven in Moskou. Het aantal biografieën van Marx is talrijk, maar dit is de eerste die zich volledig richt op het kleurrijke en chaotische privéleven en de nakomelingen van de toegewijde pater familias, die evengoed Freddy verwekte bij de huishoudster. De eigenlijke hoofdpersoon is Marx’ aristocratische echtgenote Jenny von Westphalen, afkomstig uit de hoogste kringen, die onwankelbaar koos voor de ontberingen en de armoede van het ballingenbestaan. Drie kinderen stierven jong. Marx, die later zowel tot duivel als tot afgod is gemaakt, krijgt menselijke trekken. Typerend is de reden van de waardering die hij als atheïst behield voor het christendom: het leert volwassenen dat zij van kinderen moeten houden.

Een goede biograaf gaat op zoek naar de drijfveren van de persoon die hij wil doorgronden en vaak zijn die, meer of minder expliciet, religieus van aard. In de bundel Biografie & religie (red. Mirjam de Baar, Yme Kuiper & Hans Renders, Boom/Biografie Instituut, 299 blz. € 19,90) schrijft een keur van biografen over vormen van religiositeit bij onder anderen Ferdinand Domela Nieuwenhuis, Herman Gorter en Frederik van Eeden. Een nieuwtje staat in de bijdrage van Hans van Bree, die in privé-archieven ontdekte dat Wilhelmina veel meer onder invloed stond van gebedsgenezeres Greet Hofmans dan haar dochter, koningin Juliana. Regelmatig stelde zij vragen aan ‘de doorgeefster’. Ze vroeg bijvoorbeeld ‘om raad van boven over de wijze waarop ondernemingen (zoals Philips) religie in hun bedrijfsvoering konden integreren’.

De Haagse communistische verzetsstrijder Willem Harthoorn (1913-’94) overleefde de concentratiekampen Buchenwald, Gross -Rosen, Dachau en Natzweiler. Zijn in 1946 geboren zoon R. Harthoorn onderzoekt in Vuile oorlog in Den Haag (Van Gruting, 576 blz. €39,90) de wijze waarop de Duitse bezetters in samenwerking met personen uit Nederlandse politie- en inlichtingendiensten het communistische verzet in Den Haag en omstreken bestreden. Hij identificeert ruim 250 communistische verzetsmensen uit de regio die de oorlog niet hebben overleefd. Volgens de auteur zijn de gebeurtenissen die tot hun dood hebben geleid systematisch door de overheid verzwegen om de medeverantwoordelijkheid van Nederlandse bestuurders en ambtenaren van de inlichtingendienst te ontlopen. Centraal staat de stelling dat de politieautoriteiten zowel voor als tijdens de bezetting samenwerkten met de Gestapo ter bestrijding van het communisme. Het boek is goed gedocumenteerd. Maar de polemische toon wekt het vermoeden dat de conclusie aan het onderzoek vooraf is gegaan.