'Gershwin was net zo geniaal als Schubert'

Ze is 66, en ze zingt nog. Zondag zingt de legendarische Jessye Norman voor het eerst sinds vijf jaar weer in Nederland. In theater Carré, en uitsluitend in luchtig repertoire.

Zou ze echt komen, zondag? Sopraan Jessye Norman heeft een reputatie waar het om afzeggingen gaat. Neem haar komst naar het Edison Gala zes jaar geleden. Televisieploegen stonden paraat, Norman zou persoonlijk de prestigieuze oeuvreprijs in ontvangst komen nemen. Maar ze kwam op het allerlaatste moment toch niet, al was er ruimhartig aan haar wensen – een privéstraalvliegtuig met twee piloten en een suite in het Amstel Hotel – voldaan. Niet goed, geld weg.

Divaneigingen, kortweg. Maar dat verwijt weert Norman zelf altijd gestoken af. „Wat bij een vrouw ‘divagedrag’ heet zou bij een man worden opgevat als blijk van leiderschap”, zegt ze dan. Case closed.

66 is ze nu, en een levende legende. Haar grote rollen zijn nog steeds een feest om naar te luisteren. Cassandre in Berlioz’ Les Troyens. Verdi’s Aida. De Vier letzte Lieder van Strauss. En dan zijn de grote Wagnerrollen nog niet eens genoemd.

De laatste keer dat Norman in Amsterdam zong, koos ze voor een ambitieus liedprogramma met Wagner, Poulenc en Beethoven. Op de artistieke diversiteit was niet beknibbeld, en op de schoonheid van Normans avondrode timbre viel ook niets af te dingen. Maar haar bereik en intonatie waren niet ideaal meer voor fijnzinnigheid op de vocale millimeter. Groots werd haar performance pas tijdens de toegiften, waarin ze haar stem als strekkende meters fluweel uitrolde over een set negrospirituals.

Zo erg is het dus eigenlijk niet dat Norman zondag in Carré een programma zingt met uitsluitend muziek van ‘American Masters’; musicalsongs, gospelliederen en jazz standards – een programma dat deels overeenkomt met dat van haar laatste, voor een Grammy genomineerde cd Roots: My Life, My Song. Op die cd – een concertregistratie – spat het zangplezier eraf, al zijn sommige momentjes van kittige interactie met het publiek tenenkrommend. Wat je hoort is in elk geval geen operazangeres die ook eens jazz zingt, maar Norman in een nieuwe gedaante als gruizige crooner. De plekken waar ze haar stem ‘ouderwets’ straussiaans de hoogte in stuwt, zijn de minste.

„Dit is geen carrièreswitch, ik zie musical- en jazzsongs als uitbreiding van mijn grote en brede repertoire”, zegt ze daarover. Per e-mail, een persoonlijk interview ketst op het allerlaatste moment af. „Ik wil alles wat ik zing echt met hart en ziel kunnen zingen. Dat is een voorwaarde. Maar het repertoire dat aan die voorwaarde voldoet, is zeer breed. Het kan Monteverdi zijn, maar ook muziek die gisteren pas is gecomponeerd.”

Het is dus niet zo dat ze de klassieke muziek om stemtechnische redenen definitief vaarwel heeft gezegd, benadrukt ze. Later dit jaar zingt ze bij het San Francisco Symphony Orchestra een muziektheatraal concert rondom ‘American Mavericks’: componisten als Charles Ives, John Cage en John Adams. „Zo’n programma zie ik als een investering in mijn artistieke groei. Maar ik vind het ook gewoon leuk om te doen. Ambitieus programmeren kan op veel verschillende manieren.”

New York, waar Norman woont, benoemde haar pas tot een ‘Living Landmark’. Ze zet zich in de stad in voor de bibliotheek, is bestuurslid van Carnegie Hall en het Dance Theatre of Harlem en woordvoerder voor de daklozenvereniging. „New York is een van de opwindendste steden van de wereld om te leven en als kunstenaar je vak te beoefenen”, vindt ze. „Maar er zijn ook veel New Yorkers die hun stad ‘uitdagend’ zouden noemen op een andere manier, omdat ze het zonder hulp niet redden. Muziek is mijn vak, maar zonder het delen van mijn kennis vanuit compassie zou ik mijn leven als incompleet beschouwen.”

Norman zong zelf al vanaf haar vroege jeugd, op school en in het kerkkoor. Dat ook in de VS steeds minder ruimte en geld is voor muziekonderwijs, stimuleerde haar zeven jaar geleden tot de oprichting van een eigen school in haar geboortestadje, de Jessye Norman School for the Arts. Schoolgeld wordt niet gevraagd. „De bedoeling is dat de leerlingen, veelal uit minder bevoorrechte gezinnen, zich niet alleen bekwamen in kunstvormen, maar ook doordrongen raken van de noodzaak iets positiefs bij te dragen aan de wereld”, zegt ze.

„Voor mij zijn die twee nauw verbonden. Kunst is een uitlaadklep voor gevoelens. We hebben het allemaal nodig gehoord en begrepen te worden en kunst kan daarbij helpen. Vooral voor kinderen is het belangrijk te beseffen dat ze zelf echt wat te zeggen hebben. Dansen, schrijven, musiceren, tekenen – het zijn middelen om die eigenheid te vinden. Zelfbewustzijn leidt dan weer tot een beter begrip van anderen, en dat resulteert weer in meer tolerantie. Daar ben ik oprecht van overtuigd.”

Op haar recital zingt Norman morgen liedjes van Lena Horne, Ella Fitzgerald, Odetta en Nina Simone. De keuze is vrij willekeurig, zegt ze. „Je kunt er niet uit concluderen dat ik zangeressen als Sarah Vaughan of Billie Holiday minder bewonder. Odetta (1930-2008) is voor mij wel iemand van zeer bijzondere betekenis. Ze ijverde onvermoeibaar voor gelijke burgerrechten. Haar idealen en de manier waarop ze zich daarvoor inzette, zijn een voorbeeld voor me. Ze werd ook door iedereen gehoord. Niet alleen door de happy few.”

Norman weigert ook om een normatief onderscheid te maken tussen ‘lichte’ en ‘serieuze’ muziek, benadrukt ze. „Iemand als George Gershwin was een geniaal liedcomponist. Waarom denk je dat die melodieën nog steeds zo geliefd zijn? Omdat ze ons nog steeds direct en onomwonden weten te raken. Dat is ook de reden dat ik ze graag zing buiten hun context, de musicals waarvoor ze werden gecomponeerd. ‘Los’ hoor je dat ze autonoom net zoveel bestaansrecht hebben als de liederen van Schubert, of aria’s uit grote opera’s.”

Theater Carré, 22/1, 17 uur. Res.: www.carre.nl of (0900) 25 25 255.