Gelieve geen menselijk leed te fotograferen

Foto’s van persoonlijk lijden vereisen morele rechtvaardiging, vindt Roel Visser. Maar fotografen doen liever mee in de lucratieve carrousel van sentiment.

Morgen wordt de fotoprijs de Zilveren Camera uitgereikt. Iedere genomineerde is al een prijswinnaar, aangezien de verschillende categorieën een eerste, tweede en derde prijs kennen. Daaruit zal tenslotte de hoofdprijs, de Zilveren Camera 2011, worden gekozen.

Traditiegetrouw omvat de wedstrijd ook dit jaar de nodige beeldverslagen van allerlei vormen van menselijk leed. In 1960 schreef de journalist Piet van der Eijk een kritische beschouwing waarin de vraag werd gesteld of op ethische gronden aan de verbeelding van lijden een prijs kan worden gekoppeld. Die discussie is volledig naar de achtergrond geraakt. Fotowedstrijden als de Zilveren Camera zijn meer en meer geïntegreerde media-evenementen geworden, die gepaard gaan met de nodige publiciteit, promotieactiviteiten, sponsoring en feestelijkheden. Mede daarom wil ik de vraag opnieuw opwerpen.

Zodra men prijzen gaat verbinden aan de afbeeldingen van tragische personen in al hun ellende, is er het gevaar van de beschuldiging van leedexploitatie, ten eigen faveure. Betreft het foto’s van oorlogsgeweld of natuurrampen dan kan worden aangevoerd dat ze mogelijk leiden tot het verbeteren van de situatie, of het op gang brengen van hulp. Ook foto’s die tot doel hebben zekere maatschappelijke misstanden aan de kaak te stellen, zijn verdedigbaar.

Ontbreekt een dergelijk doel of is de reden uiterst vaag, dan wordt het moeilijker. Op de rijkelijk met drank besproeide recepties tijdens de prijsuitreiking is dan het geijkte antwoord dat het werk de onwetendheid moet doorbreken, zodat er bij het publiek meer begrip ontstaat voor de getoonde misère.

Deze doorgaans op plechtmatige toon uitgesproken woorden klinken aardig, maar over welke onderwerpen is het publiek anno nu eigenlijk nog onwetend? Sinds jaar en dag hebben de commerciële media zich het ene na het andere item toegeëigend dat voor die tijd aan de serieuze pers was voorbehouden, en toen werd het tot de geëngageerde journalistiek gerekend. Ongeveer elke ziekte, fysiek of mentaal, is inmiddels als een spannende vorm van entertainment voorbij gekomen, evenals bepaalde sociale situaties. Niet een keer, maar meerdere malen.

Kennisvergroting gaat nauwelijks nog op. Het begrip dat zou ontstaan is minstens twijfelachtig. Want als dat er na al die stromen publicaties (ook in damesbladen en uitgaven als Psychologie Magazine) nog niet is, dan zal het er ook niet komen.

Maar waarom zou er een morele rechtvaardiging moeten zijn, zou iemand kunnen tegenwerpen. Stel eens dat een fotograaf gewoon zegt dat hij met een verhaal zijn bekendheid wil vergroten. Het onderwerp heeft verklaard graag mee te werken, al was het maar omdat hij of zij ook een keer in de schijnwerper wil komen te staan. Wat dan nog? Schade is er niet, terwijl iedereen voor zijn inspanningen is beloond.

In dat laatste woord zit ‘m de kneep. Het lijden kan worden beloond. Men kan er bekend mee worden. Er zijn fifteen minutes of fame te halen. In een samenleving die overgevoelig is voor sentiment, is dat geen onrealistische verwachting.

Was het vroeger een kwestie van beschaving om je vuile was binnen te houden, thans is het compleet tegenovergestelde het geval. Alles willen we zien en meebeleven, tot de meest delicate details aan toe. Een gezonde portie scepsis is daarbij nauwelijks aan de orde, een serieuze verdieping in het onderwerp wordt er evenmin door ondernomen. Als het instant gevoel maar wordt bevredigd. Keer op keer, in een eindeloze stroom, waarbinnen om de zoveel tijd alles met een paar variaties wordt herhaald.

Cynici noemen het de leedindustrie, anderen gebruiken de term ‘emo-media’. Dat dit zonder schade zou zijn, is overigens niet helemaal waar. Uit onderzoek naar bepaalde uitingen van psychisch ongemak is gebleken dat door veel aandacht het aantal gevallen juist toeneemt, omdat het leidt tot kopieergedrag.

Sociaal-economische items zijn intussen zo uitgekauwd dat er amusement van wordt gemaakt. Leven in bittere armoede is omgebogen tot vermaak, zoals dat bij de Tokkies het geval was. Het is natuurlijk wel zielig, maar gelukkig zijn wij niet zoals zij, en bovendien valt er af en toe flink wat te lachen. Hier zijn de sloebers van weleer tot sterren gemaakt.

Leed is een verschijnsel waar voordeel mee te halen valt, zonder dat het wezenlijk iets toevoegt aan dat wat we toch al wisten. Voor de maker ligt er een prijs in het verschiet. Voor het onderwerp een vorm van bekendheid en erkenning van zijn persoon. In de huidige samenleving geen onbelangrijke factor, wil je ertoe doen.

En zo draait de fotojournalistiek vrolijk mee in het carrousel van sentiment, onder begeleiding van steeds dezelfde argumenten, die bij nadere beschouwing allang niet meer opgaan. Het feit dat zulke verantwoordingen er dikwijls ongevraagd bij staan („met deze reportage hoopt de maker...”) geeft al aan dat ergens de schoen wringt.

Nog een maand en alle fotowedstrijden zijn weer achter de rug. De prijzen verdeeld, onder het genot van een hapje en een drankje. Met dansen tot besluit. Tot volgend jaar. Fotografen zullen zich opnieuw buigen over een keur aan onderwerpen die men geschikt acht om te gaan verslaan, of zijn daar al mee bezig. Daarbij zal tragiek opnieuw een factor van belang zijn. Maar waarom?

Roel Visser is fotojournalist en won diverse nationale en internationale prijzen.