De lammetjes zijn misvormd en niemand weet hoe dat komt

In heel Nederland komen misvormde of doodgeboren lammetjes ter wereld. Het mysterieuze Schmallenbergvirus is de boosdoener. Maar niemand weet hoe het werkt en waar het vandaan komt. „Het is een compleet raadsel.”

De kudde Gotlandschapen van Berdien van Everdingen staat niets vermoedend in de stal. Buiten loeit de wind. Achter de dijk klotst het water van de Bergsche Maas. Het is een winter als veel anderen in het land van Heusden en Altena. Nat, dat wel. De uiterwaarden staan blank. Maar in de lange stal is niks bijzonders te merken. De 150 grijs-zwarte ooien scharrelen vrolijk door elkaar. De dekrammen wachten in een afzonderlijk hok geduldig op hun tijd.

Het lammerseizoen begint over een week of zes. De ooien beginnen al aardig dik te worden. De rammen zijn er eind september, begin oktober bij geweest. Zo gaat dat al jaren op de schapenboerderij ‘t Slot in Heesbeen, waar de schapen gehouden worden voor de wol, de pelzen met zilvergrijze krulletjes, en het vlees.

Maar dit jaar wordt het spannend. Door heel Nederland worden er ineens lammeren geboren waar van alles mee mis is. De lammetjes zijn zo zwak dat ze niet kunnen meewerken bij de bevalling waardoor de ooi niet of nauwelijks kan werpen. En als de boer dan wil helpen door aan de poten te trekken, breken de pootjes soms gewoon af.

De meeste diertjes worden doodgeboren met verdraaide hoofden in een ratjetoe van ledematen. Soms lijkt er, op het eerste gezicht, niks aan de hand maar dan valt het lam na de geboorte toch om, omdat het geen herseninhoud blijkt te hebben. Het zijn aangrijpende beelden. De veehouders die ermee te maken hebben zijn ontdaan en willen geen pottenkijkers.

De schuldige is een virus dat de naam Schmallenberg heeft gekregen, naar het Duitse stadje waar het voor het eerst geconstateerd werd bij runderen. In Nederland dateren de eerste meldingen bij lammeren van begin december. Inmiddels is het virus aangetroffen bij 62 schapenhouders en 2 geitenhouders. Bij kalveren is in Nederland nog geen besmetting gevonden, maar dat is naar verwachting een kwestie van tijd.

Schmallenberg is een spookachtig virus. Het tast onder bepaalde omstandigheden de ongeboren vrucht aan. Maar wanneer? En hoe heeft het zich zo snel over het hele land weten te verspreiden? Hoe kan het dat er tweelinglammeren geboren worden van wie een totaal misvormd is en de andere gezond?

Ondanks spoedonderzoek door de Gezondheidsdienst voor Dieren, het Centraal Veterinair Instituut in Lelystad en het Duitse Friedrich-Loeffler-Institut, is nog onduidelijk waar het virus vandaan komt, en hoe en wanneer het op de schapen, geiten en runderen is overgedragen. Zeker is alleen dat het niet vanzelf op het vee is oversprongen. Er is een drager (vector) aan te pas gekomen. Waarschijnlijk een knutje, een piepklein mugje, net als bij de ziekte Blauwtong, of een ander insect. Maar de smoking gun ontbreekt in deze thriller. De dader die ergens aan het begin van de dracht van het vee – waarschijnlijk aan het einde van de vorige zomer – heeft toegeslagen, is onvindbaar. Terwijl het aantal slachtoffers blijft groeien.

„Het is een compleet raadsel”, stelt schapenhoudster Berdien van Everdingen in het Brabantse Heesbeen. Ze probeert zich zo nuchter mogelijk voor te bereiden op de dingen die mogelijk gaan komen. Ze heeft ervaring en is extra gespitst op signalen dat er iets met de schapen zou kunnen zijn.

Een paar jaar geleden verloor ze de helft van de lammeren en eenderde van de ooien aan Blauwtong, de vorige plaag die de Nederlandse veehouders bezocht. Het hoort bij het risico van het vak, zegt ze. „Maar dit moet niet te vaak voorkomen, anders leg je als sector echt het loodje”. In de directe omgeving, in Waalwijk en in Almkerk zijn de afgelopen weken al misvormde lammetjes geboren. Het Schmallenbergvirus kan ieder moment opduiken.

„Deze is drachtig, deze ook, deze niet. Hier zitten er twee, daar zit er een”, klinkt het in de stal. De 150 ooien worden stuk voor stuk gescand door André van Dijk, die met zijn apparatuur veeteeltbedrijven afreist door het hele land. Op zijn linkerarm is een draagbare scanner gebonden, met zijn rechter haalt hij de sensor eerst door de gel en vervolgens over de onderbuik van de ooi.

Niet om te zien of er een misvormd lam in zit. Want zo fijn afgesteld is de apparatuur niet. Maar de scan geeft wel aan of het schaap drachtig is. De drachtige ooien krijgen een rood kruis op de kont gestift. Normaal gesproken is 80-90 procent drachtig. Dat is ook nu het geval.

De schapenhoudster kan in deze laatste weken voordat de dieren ‘aflammeren’ niet veel meer dan haar kudde en de stal zo goed mogelijk voorbereiden. De drachtige ooien krijgen extra krachtvoer om zo sterk mogelijk aan de start te verschijnen.

Overal kloppen de hartjes, zo blijkt uit de scans. Gelukkig treft Van Dijk geen dode ongeboren lammetjes aan. Dat zou een signaal kunnen zijn voor de ziekte. Een dag eerder was hij nog bij de ongelukkige Herman van Assen in Zwolle, waar het Schmallenbergdrama rond de Sinterklaastijd voor het eerst goed zichtbaar werd. Bij Van Assen gaat over een dag of veertien een tweede groep ooien lammeren. Op de laatste scan was te zien geweest dat verschillende ooien een dood lam bij zich droegen. Een nieuw drama tekent zich af.

De afgelopen maanden zijn een nachtmerrie geweest voor de biologische schapenboer Herman van Assen en zijn vrouw Marianne. Hoeveel misvormde lammeren er precies geboren zijn weten ze niet precies. „Ergens tussen de veertig en de vijftig”, zegt Herman van Assen.

Hij was de eerste veehouder die meldde dat er iets grondig mis was. In de week voor Kerst kwam staatssecretaris Henk Bleker persoonlijk kijken. Ineens liep ook de hele landelijke pers over zijn erf op zoek naar schokkende beelden van misvormde lammetjes. Intussen moesten Herman en Marianne nachten doorwaken in de stal om de ooien te helpen bij de loodzware bevalling.

Toen het eerste misvormde lammetje werd geboren, had Herman nog gedacht: ach, dat komt wel meer voor. Maar het feit dat de ooien bijna bezweken onder de bevalling, gaf hem het gevoel dat er meer aan de hand was.

Hij belde meteen met Piet Vellema, veterinair specialist van de Gezondheidsdienst voor Dieren. Aan tafel bij de Van Assens in Zwolle vertelt Vellema dat zijn dienst vanaf de eerste week van december de ene melding na de andere binnenkreeg. Ze gingen op zoek naar gemeenschappelijke factoren: hadden de schapen op bepaalde plaatsen gestaan, bepaald voer gekregen, bepaalde medicijnen? „Nou daar waren we snel mee klaar”, vertelt Vellema. „Er was niks gemeenschappelijks.” Van Assen vult aan: „Het is alsof het virus in één keer over heel Nederland is gewaaid”.

Achteraf gezien zijn er vorige zomer misschien toch tekenen geweest. Sommige schapen kregen ineens diarree, maar dat kwam wel vaker voor, vertelt Van Assen. Het was bovendien een erg natte zomer, en de schapen die omgerekend dagelijks drie kilo droge materie, zoals droog gras of hooi, moeten zien binnen te krijgen, hadden gras moeten eten dat voor 90 procent uit water bestond. Geen wonder dat ze daar last van kregen. En ja, er hadden ineens een paar opgroeiende lammeren dood in de wei gelegen. Maar ook dat komt wel vaker voor. Voor de geharde schapenhouder geen reden tot paniek.

Intussen moet Van Assen zich ook de buitenwereld van het lijf zien te houden. Die staat, in zijn gevoel, meteen met een oordeel klaar: al die dierziektes komen door intensieve veeteelt. „Maar wij zijn een biologisch bedrijf en helemaal niet intensief”, verzucht hij. Het negatieve imago zit hem hoog. „Iedereen praat elkaar maar na.” Als een voorbijganger een dood schaap in de wei ziet liggen, belt hij meteen de politie en de dierenambulance in plaats van de boer zelf te attenderen. De boer voelt zich in het nauw gedreven. Hij vertelt over het gedoe dat hij heeft gehad met de verplaatsing van zijn boerderij. Die staat nu nog vlak achter de IJsseldijk. Maar de dijk wordt verplaatst om de rivier meer ruimte te geven.

Van Assen kreeg een stuk grond aangewezen dat 800 meter verderop ligt, niet ver van een woonwijk. Daar was niet iedereen gelukkig mee, vooral niet de boer die plaats moest maken voor Van Assen. Uiteindelijk kwam er een beweging op gang om de schapenhouder weg te houden. „Zogenaamd omdat er Q-koorts zou kunnen optreden, zo dicht bij de bebouwing”. Maar de schapen van Van Assen zijn ingeënt tegen deze ziekte. „Er was helemaal niks aan de hand.” Het heeft alles bij elkaar vijf jaar geduurd.

In de loop van dit jaar zullen de Van Assens hun nieuwe boerderij betrekken, maar de verhoudingen in de polder achter de IJsseldijk zijn verstoord. Het platteland kan soms onbarmhartig zijn. Toen in de stal van Van Assen het ene misvormde lam na het andere – al dan niet dood – ter wereld kwam, hield de omgeving zich doodstil. „Niemand van de buren heeft gebeld om te vragen hoe het hier eigenlijk gaat.”

Terwijl Vellema en zijn collega’s stad en land afreizen op jacht naar het virus, voert Van Assen in de IJsselvallei een strijd op twee fronten. Over een paar weken gaat een volgende groep ooien lammeren. Staan ze straks weer met die losse pootjes in hun hand? Of was het virus al over zijn hoogtepunt heen toen de groep werd bevrucht? Er zijn tekenen dat dat het geval zou kunnen zijn. In de eerste groep was ook enig verloop te zien. De eerste lammeren waren in orde, daarna kwamen bijna alle lammeren misvormd naar buiten, maar onder de laatste lammetjes zaten er toch weer gezonde. Herman van Assen heeft stille hoop.