U weet niet hoe donker het in mij is

Joseph Roth/Stefan Zweig: ‘Jede Freundschaft mit mir ist verderblich’. Briefwechsel 1927-1938. Bezorgd door Madeleine Rietra en Rainer-Joachim Siegel. Met een nawoord van Heinz Lunzer. Wallstein, 624 blz. € 41,10

Een merkwaardig vriendenpaar, dat is wel het minste dat je kunt zeggen over Joseph Roth en Stefan Zweig. De twee joods-Oostenrijkse schrijvers hadden, althans ogenschijnlijk, weinig met elkaar gemeen. Roth was arm en vaderloos opgegroeid in Galicië aan de uiterste westflank van de Habsburgse monarchie; ‘alles wat ik bezit zijn drie koffers’, schreef hij in 1929 aan zijn vriend. Zweig daarentegen was afkomstig uit een schatrijke fabrikantenfamilie in Wenen, hij bewoonde een van de mooiste villa’s van Salzburg; ook was hij veel beroemder en kosmopolitischer dan zijn collega.

Toch ontstond er meteen een grote sympathie tussen beide schrijvers, die elkaar in 1929 voor het eerst ontmoetten. In de schitterende, nu voor het eerst integraal verschenen briefwisseling leer je zeker Roth beter kennen dan uit de biografieën. Roth bewonderde aan Zweig wat hij zelf miste. In een verhelderende brief van 18 september 1932 schrijft hij: ‘Iedere vriendschap met mij is bederfelijk. Ikzelf ben een klaagmuur, een ruïne. U weet niet hoe donker het in mij is. [...] U heeft de genade van het geluk en de echte gouden opgewektheid.[...] In u zit iets van de levenskunst à la Goethe.’

Aanvankelijk presenteert Roth zich tamelijk bescheiden aan zijn dertien jaar oudere collega. Maar al snel wordt zijn toon zelfbewuster en begint hij, hoewel elegant verpakt, kritiek te leveren op de clichés en slordige stijl in Zweigs boeken: ‘Uw mooie rijkdom aan associaties tiranniseert u soms.’

In de jaren dertig ontstond er een ernstig conflict, veroorzaakt door de politieke omstandigheden. Achteraf moet je zeggen dat Roth als een van de weinige Duitse schrijvers een vooruitziende blik heeft gehad; al in 1923 had hij met zijn roman Das Spinnennetz het antisemitisme in Duitsland aan de kaak gesteld. Nu reageert hij furieus op de opkomst van Hitler. In 1930 laat hij Zweig weten: ‘Duitsland en Oostenrijk zijn weerzinwekkend geworden. [...] Europa pleegt zelfmoord.[...] De duivel regeert werkelijk de wereld.’

Conflictschuw

Stefan Zweig was gematigder van toon, conflictschuw ook wel, en vooral publiekelijk heeft hij zich lange tijd (net als Thomas Mann) buiten iedere politieke discussie gehouden. Roth verweet hem deze aarzelende, afwachtende houding en ook dat hij zijn contacten met Duitsland na Hitlers machtovername in 1933 niet volledig had afgebroken.

Steeds sterker oefende hij druk uit op zijn vriend. In een lange hartstochtelijke brief van 7 november 1933, een sleutelbrief uit de bundel, schrijft hij: ‘Het is een strijd op leven en dood tussen de Europese cultuur en Pruisen. Merkt u dat werkelijk niet? [...] Tussen ons beiden zal een kloof bestaan zolang u innerlijk niet volledig, niet definitief met het huidige Duitsland heeft gebroken.[...] Nog één keer: u moet ofwel met het Derde Rijk breken óf met mij.’

Roth had meteen na Hitlers machtsovername in 1933 Duitsland voorgoed verlaten en zwierf tot aan zijn vroege dood in 1939 door het nog vrije Europa; Parijs, Nice, het geliefde Wenen en ook Amsterdam werden vaste pleisterplaatsen. In Amsterdam logeerde hij steevast in Hotel Eden in de Warmoesstraat. Zijn boeken verschenen nu bij de Duitstalige emigrantenafdelingen van Allert de Lange, Querido en de kleine katholieke uitgeverij De Gemeenschap in Bilthoven, waar hij door bemiddeling van Anton van Duinkerken (naast Gerard de Lange een persoonlijke vriend van Roth) was binnengeloodst. Bij de vaderlandse kritiek en bij de lezers had Roth veel succes. In 1935 schrijft hij zelfs aan Zweig: ‘Literarische Anhänger habe ich nur in Holland.’

Drankprobleem

Te zeggen dat Joseph Roth een drankprobleem had is meer dan een eufemisme. Zijn vrienden hebben hem na 1933, toen hij ook nog privéproblemen kreeg met zijn geesteszieke vrouw, zelden nuchter aangetroffen. Zweig waarschuwde hem regelmatig voor zijn drankgebruik, diverse keren adviseerde hij hem een ontwenningskuur. Heel direct in 1934: ‘In godsnaam vriend, beheerst u zich. [...] U moet met het zuipen stoppen.’ Maar dat was tegen dovemansoren gezegd. Roth kreeg geen greep meer op het leven, ergens heeft hij het zelfs over de ‘Trieb zur Selbstvernichtung’ (22 december 1933). Roth wist, zoals hij twee jaar later schreef, ‘dat de alcohol weliswaar het leven verkort, maar de directe dood verhindert.’ Uiteindelijk zou de drank hem fataal worden.

Roth was onmiskenbaar de betere schrijver en ook brievenschrijver. Het is opmerkelijk hoe helder, geestig en briljant hij weet te formuleren. Toch kreeg ik gaandeweg steeds minder respect voor deze manische man. Communisten zoals Carl von Ossietzky gunde hij het concentratiekamp, Joodse uitgevers als Samuel Fischer en Herbert Reichner trakteerde hij op racistische uitlatingen, en voor veel collega’s als Alfred Döblin, Jakob Wassermann en vooral Thomas Mann had hij slechts hoon over.

Voor Zweig kreeg ik daarentegen steeds meer bewondering. Hij hielp niet alleen Roth zeer royaal in financieel opzicht, legde contacten met buitenlandse uitgevers, maar ondersteunde ook veel andere schrijvers en zat in allerlei hulpcomités. Alles heeft hij gedaan om Roth te redden, in een ultieme en ontroerende oproep van begin 1936 adviseerde hij hem zelfs om in een klooster te gaan.

Zweigs brieven zijn in deze uitgave sterk in de minderheid. Dat heeft alles te maken met Roths chaotische leefwijze; veel brieven aan hem zijn verloren geraakt. Aparte vermelding verdient het werk van de beide bezorgers Rainer-Joachim Siegel en de Amsterdamse germaniste Madeleine Rietra, die iedere brief zorgvuldig hebben toegelicht. Ook het lange nawoord van Heinz Lunzer is uiterst informatief. Kortom, een voorbeeldige editie, en een belangrijk document binnen de emigrantenliteratuur.