Openbaar vergaderen

Duizenden redactievergaderingen moet ik in mijn journalistieke loopbaan meegemaakt hebben, maar nooit was daar een openbare, voor lezers toegankelijke vergadering bij. Daarom móést ik naar de openbare vergadering die de redactie van onze nieuwe bijlage Mens& gistermiddag in het Academisch-cultureel centrum Spui 25 in Amsterdam organiseerde.

Was het een leukere bijeenkomst dan de gemiddelde besloten redactievergadering? Ja. Ter verklaring moet ik eerst iets vertellen over die duizenden redactievergaderingen.

Daar wordt doorgaans een voorspelbaar patroon gevolgd. Eerst vraagt de chef „wie waarmee bezig is”, dan wil hij weten „wie welke nieuwe ideeën heeft” en ten slotte vraagt hij „wie wat gaat doen”. Na de laatste vraag wordt het stiller dan na die andere vragen. Vooral degenen die eerst ruim een kwartier over hun eigen onderwerpen hebben uitgeweid, hoor je niet meer. De aangesprokenen nemen nog een slokje koffie en kijken vaag naar buiten. Wanneer is collega Jansen weer terug, vragen sommigen, want die is juist in het urgentste onderwerp het meest thuis.

Je hebt ook vuile vergaderingen. Hoe slechter de sfeer op een redactie, hoe vuiler de vergadering, vooral als men de gewoonte heeft openlijk over elkaars werk te oordelen. Dat kunnen bloedbaden worden. Op de voor mij eerste vergadering bij zo’n blad hoorde ik de ene redacteur doodkalm tegen de andere zeggen: „Jij deugt fundamenteel als mens niet.”

„Jij deugt niet” was al erg genoeg geweest, maar er was te veel haat voor drie woorden.

Van dit alles was in het zaaltje van Spui 25 geen sprake. Wel was er een mevrouw die vilein vroeg: „Jullie brengen de laatste tijd al veel meer human interest dan vroeger, kunnen jullie dat niet beter allemaal in deze nieuwe bijlage onderbrengen?”

De suggestie werd vriendelijk, maar beslist terzijde geschoven door Gijsbert van Es, de chef van de nieuwe bijlage. Ook het antwoord op de elementaire vraag „Wat is eigenlijk een mens?” wist hij tactvol te omzeilen. Liever legde hij uit waarom de krant met deze bijlage kwam: elke dag wil men iets extra’s aanbieden, maandag begint het met ‘de grote wereld’, dinsdag volgt ‘de kleine wereld’, die van levensbeschouwelijke zaken en zingeving oftewel ‘het innerlijk leven’. Alles geschreven vanuit ‘de persoonlijke beleving’.

Goed. Dat was de theorie. In de praktijk zal geprobeerd worden de lezer als bron bij deze bijlage te betrekken, onder meer via de sociale media. Om de lezer alvast aan dit voornemen te laten wennen, vroeg Van Es de aanwezigen een half uurtje in groepjes van drie te brainstormen over onderwerpen. De resultaten konden meteen ingeleverd worden.

Er waren mooie ideeën bij, maar ik kan ze hier niet allemaal prijsgeven, want de concurrentie slaapt nooit, althans, niet altijd.

Een mevrouw in een rolstoel riep: „Hoe het leven er vanuit een rolstoel uitziet, daar kun je interessante dingen over schrijven.”

„Jazeker”, zei Van Es, „een ander idee is: waarover piekeren we ’s nachts?”

„Dat doe ik er wel even bij”, zei die mevrouw.

Een lezer stelde een rubriek voor over gefnuikte ambities: waarin en waarom was iemand mislukt?

Ik stelde me voor dat ik als eindredacteur gegadigden voor die rubriek zocht, de telefoon pakte en met mijn sympathiekste stem zei: „Wij hebben een veelgelezen rubriek Waarom ik ben mislukt, en nu lijkt u ons bij uitstek…”