Krabbelaars die het rechte pad zoeken

Van delict tot delict, en geen leven. De meeste veelplegers blijven in de criminaliteit hangen. Een enkeling is wel vatbaar voor hulp van het veiligheidshuis.

Derk Tabor kent de kreten als het gaat om criminelen. „Ophokken. Nooit meer vrijlaten. Maar het zijn wel mensen. Vaak mensen die een slechte start hebben gehad. Mishandeld. Verkeerde gezin. Psychische problemen. Verstandelijke handicap.” Derk Tabor is coördinator Nazorg ex-gedetineerden in het Tilburgse veiligheidshuis.

Hij heeft het niet over de georganiseerde misdaad, niet over gewetenloze, nietsontziende boeven. Hij praat over de grote groep van krabbelaars die bij toeval of door onmacht in de criminaliteit zijn beland en geen idee hebben hoe ze eruit moeten komen. Over gedetineerden die hem toevertrouwen: ‘Ik vind het leven buiten zo ingewikkeld. In de gevangenis ben ik iemand, krijg ik respect’.

„Niemand kiest voor de misdaad”, zegt Tabor. „Als het erop aan komt, wil iedereen niets liever dan huisje, boompje, beestje.”

In het veiligheidshuis werken politie, justitie, reclassering en gemeente samen om de misdaad terug te dringen. Dat doen ze door te adviseren over de juiste aanpak van gedetineerden. Straffen, desnoods streng straffen. Om de samenleving te beschermen. „Maar van straffen is nog nooit iemand beter geworden”, zegt Tabor. „En de meeste gedetineerden komen ooit weer vrij.”

Elke gedetineerde heeft recht op nazorg. Hulp bij vinden van onderdak, aanvragen van een uitkering, afsluiten van een ziektekostenverzekering, sanering van schulden en zoeken naar een zinnige dagbesteding. Anders is hij gedoemd tot terugval in zijn oude milieu.

Dat geldt voor de veelplegers helemaal. Veelplegers hebben minimaal tien vergrijpen op hun naam staan waarvan zeker één in het laatste jaar. Veroordeelde veelplegers plegen 70 procent van alle vermogensdelicten in het land. Juist bij deze groep loont het om ze los te weken uit het criminele patroon.

Tilburg telt zo’n 300 veelplegers. De meesten zijn ‘draaideurcriminelen’. Ze leven van veroordeling naar veroordeling. Ze weigeren elke hulp of nazorg. Het draaiboek voor hen is simpel: in voorarrest houden, zo snel mogelijk voor de rechter brengen Een passende strafmaat, met een bonus omdat ze veelpleger zijn.

Een minderheid van 50, 60 veelplegers is volgens het coördinatiepunt Nazorg vatbaar voor correctie. Dat is de groep waarop het coördinatiepunt zich richt. Met de juiste aanpak komen deze veelplegers op het rechte pad. De kans daarop neemt in elk geval toe.

De juiste aanpak kan zijn: een behandeling in de gevangenis of extra begeleiding na vrijlating. Sinds oktober 2004 is er ook een paardenmiddel om veelplegers tot gedragsverandering te bewegen. De rechter kan een maatregel Inrichting Stelselmatige Daders (ISD) opleggen. Een veelpleger verdwijnt voor maximaal twee jaar in een speciale inrichting, ook al was zijn laatste misdrijf niet groter dan het stelen van een pakje shag. Het eerste jaar leert hij hoe hij in elkaar zit en doet hij trainingen. Het tweede jaar brengt hij zijn opgedane kennis en ervaring buiten de inrichting in praktijk. Gaat dat goed, dan komt hij vervroegd vrij en kan hij een nieuw leven beginnen. Werkt hij niet mee, dan zit hij de volle twee jaar vast.

Het moeilijkste, vindt Tabor, is vaststellen of iemand zijn manier van leven echt wil beteren. „In de gevangenis is iedereen gemotiveerd. Maar buiten is het moeilijk om je staande te houden”, zegt hij.

„Zonde, zonde”, verzucht hij als hij hoort van een oude bekende die na acht maanden goed gedrag toch weer is gearresteerd.

En soms geeft een ingreep verrassend resultaat. Tabor vertelt over Sjaak, een man van 50, die daarvan 27,5 jaar in de gevangenis heeft gezeten. De laatste keer dat hij voor de rechter stond, vroeg hij zelf om een ISD-maatregel, om opsluiting in een inrichting. Hij is afgekickt. Hij heeft medicatie. Hij woont in een eigen flat. Hij drinkt koffie met de wijkagent.

„Een strak zorgplan”, zegt Tabor, „is niet soft.”

Dick Wittenberg