Groots in handel en oplichting

Na de ineenstorting van zijn imperium vluchtte ‘Nederlands grootste fraudeur aller tijden’, Lodewijk Pincoffs (1827-1911), naar de VS en werkte zich weer op – tot sigarenfabrikant.

Bram Oosterwijk: Ik verlang geen dank. Lodewijk Pincoffs (1827-1911). Uitgeverij Douane, 350 blz., geïllustreerd, € 24,90

Bij de naamgeving van enkele nieuwe havengebieden in Rotterdam is onlangs de vernoeming naar vaderlandse zeehelden met succes tegengehouden. Hun daden waren groot, maar bij nader inzien bleken de helden nogal wat bloed aan de handen te hebben. Om voor een vernoeming in aanmerking te komen is tegenwoordig een onbevlekt blazoen, een blanco strafblad en een schone boekhouding vereist.

Daarom is het op z’n minst merkwaardig dat ‘Nederlands grootste fraudeur aller tijden’ Lodewijk Pincoffs in de jaren negentig met gemeentelijke goedkeuring een straat, een plein en een brug naar zich vernoemd heeft gekregen. Bovendien werd door particuliere ondernemers zijn standbeeld opgericht, een hotel naar hem genoemd en een studiebeurs in het leven geroepen, waarvoor Pincoffs’ Amerikaanse nazaten als een vorm van Wiedergutmachung het geld beschikbaar stelden. In Het Pincoffsspel van thrillerschrijver Jacques Post en in de roman Langzame wals van Robert Haasnoot is Lodewijk Pincoffs de hoofdpersoon.

In 1979 verscheen bij Donia Pers Produkties de biografie Vlucht na victorie – Lodewijk Pincoffs (1827-1911) van journalist Bram Oosterwijk. Ook daarin is Pincoffs uiteraard de hoofdpersoon, maar Oosterwijk geeft veel aandacht aan de omgeving en de omstandigheden waarin een jonge ondernemer kon uitgroeien tot ‘Rotterdams grootste koopman van de negentiende eeuw’, zoals het positieve deel van de ondertitel luidt. Destijds een zeer leesbare en leerzame biografie, want de naam van Pincoffs fluisterde wel rond, maar weinigen wisten nu precies wie en wat deze man was geweest.

Onder de titel Ik verlang geen dank – Lodewijk Pincoffs (1827-1911) heeft Oosterwijk de biografie herzien – eigenlijk herschreven – en uitgebreid, niet zozeer met nieuwe feiten maar vooral met een nieuw inzicht in de gebeurtenissen die tot de opkomst en vooral tot de dramatisch val en de vlucht van de koopman hebben geleid. De tekst is als het ware afgestoft en opnieuw gerangschikt. Het beeld van Pincoffs is levendig overeind gebleven en de vergelijking van zijn tijd met de hedendaagse paai- en graaicultuur is gemakkelijk te maken.

Meekrap en gom

Nadat Lodewijk Pincoffs in 1849 met zijn zwager Henry Polak Kerdijk de firma Kerdijk en Pincoffs had opgericht, rees zijn ster snel in de handels- en havenstad. De firma handelde in kleur- en verfstoffen als meekrap, gom, indigo, cochenille en garancine.

De tijd was rijp voor verandering. De handel en het bestuur van de stad waren in handen van het patriciaat van een twintigtal families. De leden van deze elite speelden elkaar de bal, de besturen en de lucratieve banen toe. Op zondag ging men, na de meestal remonstrantse kerkdienst, bij elkaar op bezoek in de buitens in Kralingen en op Katendrecht. De heren in geklede jas en hoge hoed, de dames in zijden crinolines naar Parijs’ voorbeeld. In sociëteit Amicitia aan de Zuidblaak, waartoe Pincoffs als jood geen toegang had, hokten zij in conservatieve verbetenheid samen en voerden oppositie tegen de staatkundige hervormingen van de liberaal Thorbecke.

In 1856 werd de toen 29-jarige Lodewijk Pincoffs, die zich ook wel als Ludovicus voorstelde, in de gemeenteraad van Rotterdam gekozen. Twee jaar later werd hij lid van de Provinciale Staten van Zuid-Holland en in de periode 1872-1879 maakte hij – als eerste joodse Nederlander – deel uit van de Eerste Kamer. Tweemaal wees hij een verzoek om minister van Financiën te worden van de hand.

Achteraf bezien voor hemzelf geen onverstandige en voor het land een gelukkige beslissing, want zijn commerciële en financiële talenten bleken niet zo geniaal als hij de buitenwereld voorspiegelde. Aanvankelijk ging het hem voor de wind, niet alleen in zaken maar ook in zijn maatschappelijke functies. Hij was lid van tal van verenigingen en instellingen die zich op charitatief gebied en op het terrein van het onderwijs bewogen. Hij werkte mee aan de oprichting van de Rotterdamsche Bank, de Holland-Amerika Lijn, de Nederlandsch-Indische Gasmaatschappij, de vestiging van Heineken’s Bierbrouwerijen te Rotterdam en vele andere bedrijven, waarin hij aantrekkelijke functies kreeg.

Van Vollenhoven

In 1873 richtte hij met behulp van Duits kapitaal de Rotterdamsche Handelsvereeniging op en verwierf concessies voor de aanleg en ontwikkeling van havenwerken op de toen nog landelijke linker Maasoever. Er was weliswaar kritiek op het vermengen van zijn zakelijke en persoonlijke belangen, maar Pincoffs wist tenslotte iedereen voor zich te winnen.

Burgemeester Van Vollenhoven liep dagelijks op weg naar het stadhuis even bij hem langs om de belangen van Rotterdam te bespreken en zijn relatie met de machtige bankier Marten Mees ontwikkelde zich tot een innige vriendschap.

In mei 1879 stortte het Pincoffs-imperium in. Lange tijd had hij de verliezen van zijn Afrikaanse Handelsvereeniging, die hij met geld van Mees en anderen had opgericht, geheim weten te houden. Hoewel hij Prins Hendrik nog kon bewegen het erevoorzitterschap van de Afrikaanse Handelsvereeniging te aanvaarden, met als doel meer krediet te verwerven, werden de onregelmatigheden in de boekhouding zo ernstig dat ze niet langer verborgen konden blijven.

Terwijl zijn vrouw de familiejuwelen in de zoom van haar jurk naaide, stippelde Lodewijk zorgvuldig een vluchtroute uit. Op 14 mei 1879 vluchtte Lodewijk Pincoffs met zijn gezin via Brussel, Calais en Liverpool naar Amerika, dat geen uitleveringsverdrag met Nederland had.

In New York kwam hij aan de kost met een tabakswinkeltje, maar later wist hij zich toch weer op te werken tot sigarenfabrikant in Chicago. In Nederland werd hij bij verstek tot acht jaar cel veroordeeld. Zijn grootste financiële slachtoffer was zijn vriend en bankier Marten Mees, die een derde van zijn vermogen verloor. Deze Marten Mees kreeg een onaanzienlijk straatje in een buitenwijk van Rotterdam naar zich vernoemd.