Draden voor de schikgodinnen

Nachoem M. Wijnberg: Als ik als eerste aankom. Contact, 79 blz. € 21,95

De poëzie van Nachoem Wijnberg is zo helder als kraanwater, en toch volslagen raadselachtig. Zoals de chassidische vertellingen, is elk van zijn gedichten een anekdote met een onverhoedse wending en pointe. Het lijkt steeds weer alsof de dichter een verhaal gaat vertellen, maar Wijnbergs vertellingen vergen meer dan aandachtig lezen of luisteren.

Er is geen logische plot. Vaak wel een min of meer filosofische vraagstelling, maar de oplossing daarvan blijft uit. Steevast wordt de begonnen bewering verstoord door een nieuwe invalshoek in de laatste versregels. Dat maakt Wijnbergs poëzie onbenaderbaar voor een close reader. Er staat wat er staat, maar wat bedoeld wordt lijkt bewust onzeker. De titels van Wijnbergs gedichten staan dikwijls ook haaks op wat het vers in eerste instantie lijkt te gaan zeggen.

In Als ik als eerste aankom zet de dichter nieuwe stappen op dezelfde weg. Wel leidt die weg steeds meer naar abstracties, maar die worden nog steeds anekdotisch gepresenteerd. Meestal in een paginalange tekst, maar soms ook kort, zoals in ‘Wat je mij wilde vragen’: ‘Omdat het niet uitmaakte / dat je voor de deur stond / toen ik zelf net binnengekomen was. // Het moet niet / je bedoeling geweest zijn / dat je voor mijn deur stond, / maar nu je hier bent, / zullen we meteen weer naar buiten gaan?’

Dit is niet het beste vers in de bundel, maar in zijn korte omvang is het typerend voor de meanderende denktrant in Wijnbergs verzen. De helft van de gedichtenis ook meanderend op de pagina gezet. De regels zijn op drie tot vier verschillende afstanden ingesprongen. Dat is uiteraard geen toeval: deze bundel gaat over ruimte en het bewegen daarin. Wie die bewegingen uitvoert lijkt willekeurig gekozen, maar dat is schijn, denk ik. Het toeval is zozeer aanwezig in deze poëzie, dat ik vermoed dat Wijnberg de schikgodinnen keer op keer zelf zijn draden aanreikt.

Wat de poëzie van Wijnberg verrassend maakt is dat hij per bundel nieuwe thema’s of zelfs genres kiest om zijn verbazing in los te laten. Er zijn echo’s van eerdere bundels, maar die echo’s passen wonderwel in de samenhang van Als ik als eerste aankom. De thematiek van beweging en verplaatsing is ruim genomen. Ruimtelijk ook, en daarin beeldend, zoals je van een dichter verwachten mag. Er staan veel verdwazende gedichten in deze bundel, maar ook treffend verbeeldende, zoals ‘Mag ik hier zitten’:

Mag ik staan terwijl ik

op een dichte paraplu leun?

Dat heb ik iemand zien doen

in een rijdende metro,

laat in de avond,

de stad vol lichten,

ik dacht dat hij van zijn werk kwam.

Toen je een kind was

was een paraplu

het enige waar je mee mocht doen

wat je wilde,

wat zou je er nu mee kunnen doen?

Staande in slaap vallen,

leunend op een paraplu,

in de metro die stilstaat, hoog boven de grond.

Wachten tot een andere trein

voorbijgereden is,

geluid van regen, daarna verder.

De formulering is ijl, en de inhoud navenant subtiel. Wie dit geen goed gedicht vindt, moet de bundel niet openslaan. Voor anderen valt er veel te ontdekken. Humor ook, zoals in ‘In het donker, in het licht’. Daarin vertelt Wijnberg hoe het lyrisch ‘ik’ werk zocht als stierenvechter, maar nog nooit een stier had gezien. Niettemin kreeg hij het publiek op zijn hand. Maar, stelt hij dan, ‘Misschien was het wel / een tragedie, ik weet het niet, / ik heb er nooit een gezien.’

Bij de jaarwisseling verraste uitgeverij Contact haar relaties met 22 nieuwe gedichten van Nachoem Wijnberg. Gelukkig nieuwjaar gewenst heet dat bundeltje. Een deel van dit gelegenheidsboekje had een plaats verdiend in Als ik als eerste aankom. ‘De arme man vraagt’ bijvoorbeeld, en ‘Ochtend’. Het laatste geeft weinig meer dan een sfeerbeschrijving. ‘De kamer donker laten / naar kleren tasten / en naar buiten lopen / en naar de rivier rennen / en dan langs de rivier. // Voorbij een man / die met een hengel over zijn schouder / langs de rivier loopt.’

Voor Nachoem Wijnberg is een sfeervolle aanzet soms al voldoende voor een gedicht. Na veertien bundels ben ik geneigd hem in die overtuiging te volgen.