Dood de draak en haal het kind uit de kerker

Hoe kan de literatuur ertoe bijdragen dat we beter kijken en meer meeleven? Dat vraagt de Nigeriaanse schrijver Helon Habila zich af in zijn Winternachtenlezing. ‘Hoe moet ik de natie veranderen als ik mijn medemens niet zie staan.’

n 2005 schreef ik aan een Zuid-Afrikaanse vriend dat ik net in zijn land was geweest, in Kaapstad. Ik stond vooral stil bij het adembenemend mooie uitzicht over de oceaan vanaf de Tafelberg. Die vriend woonde toen al niet meer in Zuid-Afrika, hij was er weggegaan omdat hij het apartheidssysteem niet kon verdragen. In zijn antwoord memoreerde hij dat hij als schoolkind in precies diezelfde oceaan zwom. Toen hij ouder werd had hij ontdekt dat hij dat voorrecht had te danken aan het feit dat hij blank was. En, daarom, schreef hij, was hij vertrokken.

Kunst is, net als het leven zelf, een manier van zien. Je kunt naar iets kijken en je kunt iets zien, en tussen die twee zit een groot verschil. We kijken met onze ogen, maar er is meer voor nodig om écht te kunnen zien. Neem onderdrukking en armoede. Hoe velen van ons kunnen beweren de armen en de machtelozen écht te hebben gezien, niet alleen naar ze hebben gekeken, maar ze waarlijk hebben gezien?

Een van de manieren waarop we het zien uit de weg gaan, is door te doen alsof het niet echt is, wat we zien. We kijken naar de armen en we maken onszelf wijs dat ze het eigenlijk helemáál niet zo slecht hebben getroffen. We beginnen zelfs te geloven dat hun tranen eigenlijk gelukstranen zijn, en we zijn bijna met onszelf begaan. En toch wil niemand met hen ruilen.

De geschiedenis zit vol met voorbeelden van opzettelijke blindheid. Tijdens de slavernij deden de slavenhandelaren net alsof ze niet uit economische motieven handelden, maar achterlijke Afrikanen een dienst bewezen door hen weg te halen uit hun barbaarse thuisland, en in Europa tot het christendom te bekeren. Verblind door hebzucht en arrogante macht overtuigde de kolonisator zich ervan dat het stichten van koloniën een nobele taak was. Zien is een verworven vaardigheid, iets wat je moet leren, je wordt er niet mee geboren.

Het verhaal van mijn vriend doet me aan een kort verhaal denken – meer een allegorie, van de Amerikaanse schrijfster Ursula K. Le Guin: ‘The Ones Who Walk Away From Omelas’. Hierin lezen we over een gelukkige en welvarende stad, een magisch Utopia, zonovergoten, vol muziek en tevreden burgers, op het ‘grenzeloze en overvloedige af.’

Maar plotseling neemt dit zonovergoten, zomerse verhaal een duistere wending, we worden van de gelukkige straten meegevoerd naar een kerker, waar een jongen van ongeveer tien wordt gevangengehouden, gemarteld, en uitgehongerd. We lezen dat de inwoners van Omelas niet onbekend zijn met het lot van dit kind: ‘Ze weten allemaal dat het er is, alle inwoners van Omelas […] begrijpen dat hun geluk, de schoonheid van hun stad, hun goede vriendschappen, de gezondheid van hun kinderen, de wijsheid van hun geleerden, de kundigheid van hun ambachtslieden, zelfs hun overvloedige oogsten en het vriendelijke weer, geheel afhangen van de afschuwelijke ellende waarin dit kind verkeert.’

Stelt u zich eens voor dat u inwoner bent van Omelas, dat u moet leven met die verschrikkelijke wetenschap, wat zou u doen?

De meeste burgers zijn er kapot van, maar ze leggen zich erbij neer, ze beginnen het zelfs te rationaliseren, te rechtvaardigen. Tenslotte is het kind wegens langdurig misbruik toch al zwakbegaafd en niet in staat om een zinvol leven te leiden, al zou het uit de kerker worden weggehaald.

Maar niet alle burgers denken er zo over. Sommige besluiten dat ze niet langer in Omelas kunnen blijven. Ze vertrekken, net als mijn Zuid-Afrikaanse vriend. Zo lezen we: ‘Ze lopen door, ze lopen zo de stad Omelas uit, door zijn prachtige poort… Ieder alleen… Ze lopen de duisternis in en komen niet meer terug. Hun plaats van bestemming is voor de meesten van ons zelfs minder voorstelbaar dan de stad van voorspoed… Mogelijk bestaat die niet eens. Maar ze lijken te weten waar ze naartoe op weg zijn, zij die uit Omelas weglopen.’ Ik houd vooral van dat ene zinnetje: ‘Ieder alleen’. Je kunt in die kerker neerdalen als deel van een groep, als deel van de samenleving, maar welk besluit je ook neemt, blijven of weggaan, je neemt het zelfstandig.

Hoe lofwaardig het ook is om gewoon uit die stad van schaamte weg te lopen, ik mag graag denken dat weglopen soms niet genoeg is. Zodra je die kerker bent binnengegaan en je lamp in de hoogte hebt gestoken, en het onrecht hebt gezien dat daar huist, blijft niets meer bij het oude.

Hoe ver je ook wegrent, dat beeld zal je altijd bijblijven. En dat is het verschil tussen de schrijver en de niet-schrijver. De schrijver kan niet vergeten. Hij zal door dat beeld worden achtervolgd totdat hij erover schrijft. Het zal hem ’s nachts uit zijn slaap houden, het zal hem overdag achtervolgen. De schrijver is gefascineerd door het kwaad, door het feit dat het bestaat. De schrijver is als die drakendoder uit de legende, die onvermoeibaar naar draken zoekt; hij weet dat hij, als hij stopt om te rusten, zal worden overvallen door precies het kwaad dat hij tracht uit te roeien.

Hoe kan de literatuur ertoe bijdragen dat ons gezichtsvermogen toeneemt, ons medeleven wordt vergroot?

Hier wil ik graag een verband leggen tussen literatuur en waarheid: waarheid als concept en fictie hebben altijd zij aan zij gestaan, vanaf het allereerste begin. Vóór de komst van de roman, vooral de Engelse, was de overheersende vertelvorm die van het levensverhaal. Wilden ze serieus genomen worden, dan moesten de vroegste romanschrijvers het doen voorkomen alsof hun verhalen echt waren gebeurd (hoewel ik in dit bedrog meer de hand zie van drukkers en verkopers dan die van de schrijvers zelf).

Daniel Defoe’s Robinson Crusoe werd verondersteld het relaas te zijn van een echte schipbreuk, geschreven door een overlevende, Robinson Crusoe, zelf. Henry Fieldings Tom Jones heette eigenlijk De Historie van Tom Jones, een Vondeling. De volledige titel van Moll Flanders, ook van Defoe, luidt: De Lotgevallen van de Vermaarde Moll Flanders, etc. die in Newgate werd Geboren, en tijdens een Leven van voortdurende Afwisseling van Zestig Jaren, buiten haar Kinderjaren, Twaalf Jaar Hoer was, vijf maal Gehuwd (waarvan een keer met haar eigen Broer), Twaalf jaar Dief, Acht Jaar Gedeporteerde Misdadigster in Virginia, en die ten slotte Rijk werd, Deugdzaam leefde, en stierf als Biechtelinge. Geschreven op grond van haar eigen Notities.

Daarom vinden we het nog steeds geloofwaardig wanneer een hoofdpersoon met de naam Michel Houellebecq, schrijver, als een van de hoofdpersonen voorkomt in de nieuwe roman De kaart en het gebied, van diezelfde Michel Houellebecq, of dat J.M. Coetzee, schrijver, voorkomt in de roman Zomertijd van J.M. Coetzee, of dat Martin Amis voorkomt in Geld van Martin Amis. Zo zou ik nog even kunnen doorgaan, maar wat ik wil zeggen is dat deze zelfverwijzing of pure zelfverheerlijking door schrijvers niets te maken heeft met postmodernistische speelsheid; ze is de voortzetting van een van de fundamentele functies van de roman: de poging om de waarheid meester te worden, het streven om de afstand tussen waarheid en fictie als het ware kleiner te maken.

De schrijver vergroot ons medeleven door ons beter naar onszelf te laten kijken. Maar eerst moet hij zich in eigen werk beter zien. Want hoe extravert en maatschappelijk georiënteerd we misschien ook zijn, we schrijven in de eerste plaats voor onszelf; we schrijven om de pietluttigste vragen die ons dwarszitten beantwoord te krijgen, en zo brengen we die lamp niet alleen omhoog om de arme jongen in die kerker te kunnen zien, maar we brengen hem ook omhoog naar een spiegel, om onszelf te kunnen zien.

Schrijven als zoektocht, als speurwerk is altijd een belangrijk aspect geweest in mijn schrijven, misschien omdat ik mijn carrière als journalist begonnen ben. In mijn debuutroman Waiting for an Angel [vert. door Sjaak de Jong in 2003] is de hoofdpersoon journalist; in mijn derde, Oil on Water, keer ik opnieuw terug naar het thema journalistiek en de zoektocht naar de waarheid. Een Britse bezoekt de Nigerdelta en wordt ontvoerd, waarna twee journalisten de jungle in worden gestuurd om haar te zoeken, en door hun ogen wordt ons een wereld getoond die wordt verwoest door geweld en olievervuiling.

Evenals de speurder en de drakendoder is de schrijver de ultieme eenling en buitenstaander. ‘Ieder alleen’. Hij kan de waarheid die hij ziet alleen illustreren door tegen de stroom, tegen de traditie en tegen geijkte denkwijzen in te gaan. Daarom worden schrijvers in landen waar de vrijheid van meningsuiting als een bedreiging wordt ervaren gevangengezet, in ballingschap gezonden of zelfs vermoord. Ja, ballingschap – in de ware en in de overdrachtelijke zin – is door Edward Said en vele anderen omschreven als de natuurlijke staat van de meeste denkers en intellectuelen.

Voor mij is er geen schrijver die die waarheid beter geïllustreerd en nageleefd heeft dan de excentrieke Zimbabwaanse schrijver Dambudzo Marechera, van wie de vermaarde woorden zijn: ‘Als je zo nodig voor een bepaald land of ras moet schrijven, lazer dan maar op.’ Natuurlijk werd hij in ballingschap gezonden – eerst door de blanke minderheidsregering van Ian Smith, en toen hij na negen jaar uit Engeland naar Zimbabwe terugkeerde, bleef hij nog steeds een paria, een binnenlandse balling in zijn inmiddels onafhankelijk geworden land, om in 1987 te overlijden, nog steeds als balling.

Toen Marechera werd gevraagd wat hem als Afrikaanse schrijver inspireerde, wilde men natuurlijk dat hij zei: ‘Afrikaanse geschiedenis’, of ‘Afrikaanse cultuur’, maar in plaats daarvan noemde hij het lijden van de bevolking, van de machtelozen, wier rechten constant met voeten worden getreden door precies dezelfde leiders die hun gouden bergen hadden beloofd.

Wie is belangrijker: de natie of de enkeling, dat ene eenzame kind of de gemeenschap? Deze vraag druist niet zo tegen de intuïtie in als het lijkt. Dit is een debat dat al sinds het begin van de menselijke geschiedenis wordt gevoerd. Maar als schrijver kan ik niet anders dan me achter de enkeling scharen, want hoe moet ik de natie helpen of veranderen als ik mijn medemens niet eens zie staan? Als schrijver werk ik met personages, een tegelijk, en ik begin altijd met de eenvoudige vraag: Wat wil mijn hoofdpersoon? Als ik die vraag kan beantwoorden, komt de rest vanzelf. In mijn tweede roman, Measuring Time, besluit mijn hoofdpersoon om een geschiedenis te schrijven – hij noemt het liever een ‘biografie’ – van zijn eigen geboorteplaats, en met name over de gewone mensen, niet de stamhoofden, de generaals, de pastores, de imams, maar over de werkman en de huisvrouw en het schoolgaande kind. Hij doet het in het geloof dat hij, als hij met deze individuen kan praten en hun hoop en verlangens in woorden kan omzetten, alles bij elkaar genomen de dromen en de hoop zal kunnen vatten van zijn hele geboorteplaats.

Ik schreef dat boek in 2007, lang vóór de volksopstand die we de Arabische lente noemen, maar nu zie ik dat de opzet van mijn hoofdpersoon sterk overeenkomt met de bedoelingen van de opstandelingen van de Arabische lente. Het zijn dromers, dromend van een nieuwe morgenrood, wanneer het verhaal van de enkeling even belangrijk zal zijn als dat van de president, wanneer ze allebei waarlijk gelijk zullen zijn, voor de wet en voor de geschiedenis. (En hoe treffend is het dat de Arabische lente, als die mythe juist is, op Facebook is ontstaan, een waarlijk democratische vrijplaats, waar iedereen zijn foto kan plaatsen en gezien kan worden zoals hij wil worden gezien, en zoals hij zichzelf ziet.)

Voor onze ogen zijn de Robert Mugabes, de Yoweri Museveni’s, de Hosni Mubaraks en de Muammar Gaddafi’s veranderd in vijanden van het volk. Zolang een land de enkeling de meest fundamentele burgerrechten en vrijheden ontzegt, zo lang zal de schrijver zijn aandacht richten op die enkeling, dat eenzame kind in de kerker.

Langzaam zien we zo het ontstaan van een nieuw soort literatuur in Afrika, een literatuur die ik ‘postnationalistisch’ zou willen noemen. In onze geglobaliseerde wereld pakt een schrijver eenvoudig zijn koffer en verhuist naar een land, waar hij vrijer kan leven. Daar ontdekt hij wat schrijvers als Marechera lang geleden al wisten: dat je, voordat je schrijver bent voor een groep of een land, eerst schrijver moet zijn voor de enkeling.’

Vertaling: Robert Dorsman

Een verkorte versie van de Winternachtenlezing die Helon Habila gisteravond hield in Den Haag. Penguin Books geeft zijn boeken uit.