Diagonalen

Als een kunsthistoricus een schilderij beschrijft komt er vroeg of laat het moment dat hij enthousiast gewag maakt van de ‘diagonalen’. Wat is er in vredesnaam zo interessant aan die diagonalen? In elk schilderij zijn wel diagonalen aan te wijzen, al zullen ze grote moeite hebben met een schilder als Mondriaan, vrees ik. Zeggen die diagonalen iets over de kwaliteit van het werk? Ik kan me dat toch nauwelijks voorstellen. En zijn er in hun ogen ook mooie en lelijke diagonalen? Ik heb ze nooit horen zeggen: „Wat een knoeier! Moet je die armetierige diagonalen zien!” Nooit. Ze juichen al als ze in een doek weer eens een diagonaal van links naar rechts of van de rechterbovenhoek naar de linker benedenhoek zien lopen. Ook menen ze dat de schilder die vermaledijde diagonalen bewust aanbrengt om zijn doek meer aanzien te kunnen geven. Daar geloof ik, eerlijk gezegd, niets van. Die dingen ontstaan vanzelf, ik weet bijna zeker dat een kunstschilder zo niet te werk gaat, maar zij denken dat er een weldoordacht ontwerp aan ten grondslag ligt.

Laten we voor het gemak de Nachtwacht van Rembrandt nemen. Jawel hoor, de vlag linksboven, de sjerp en de schaduw van de hand van Banning Cocq op de gulp van Van Ruytenburch vormen een diagonaal. Maar als dat niet zou zijn, wordt het daardoor opeens een minder schilderij? Ik geloof er niets van. En de speren rechts, ja hoor, ook weer diagonalen, maar die hadden ook gewoon recht omhoog kunnen steken en dan was het nog steeds een goed schilderij. Hetzelfde geldt voor de karabijn van de soldaat links en de stok van Banning Cocq. Maar liefst twee diagonalen! Voor dat fel oplichtende meisje zie je nog een donker been en ook dat vormt, als je met een beetje goede wil kijkt, weer een diagonaal met de witte rechterkraag van Banning Cocq.

Nou, en?