Deskundigen twijfelen over 'Van Eyck'

Claudine Chavannes-Mazel stelt dat een tekening die werd aangezien voor een kopie, tóch van Jan van Eyck is. Deskundigen twijfelen. „De coherentie ontbreekt.”

Nog geen week nadat het Louvre in Parijs een zeldzaam paneel had verworven van Johan Maelwael, werd bekend dat datzelfde museum mogelijk een werk bezit door Jan van Eyck (circa 1390-1441), een nog veel belangrijker tijdgenoot. Op grond van stilistisch en materiaaltechnisch onderzoek schrijft de Amsterdamse hoogleraar kunstgeschiedenis Claudine Chavannes-Mazel het werk aan hem toe.

De tekening toont een groep edellieden in vol ornaat die zich vermeien in de visvangst. Het zou een uiterst belangrijke aanvulling vormen op het kleine getekende oeuvre van Van Eyck. Bovendien zou de tekening veruit de vroegst bekende voorstelling bevatten van het Haagse Binnenhof. Op de achtergrond zie je het Binnenhof en het Haagse Bos.

Chavannes roemt de hoge kwaliteit van de tekening. Die bevat details in typisch vijftiende-eeuwse kledingstukken die je bijna wel in het echt moet hebben gezien om ze zo goed te kunnen uitbeelden. Dat zou erop duiden dat dit werk niet, zoals meestal wordt aangenomen, veel later tot stand is gekomen.

En als het blad vijftiende-eeuwse hovelingen tegen de achtergrond van hun eigen kasteel portretteert, wie anders zou dan de maker kunnen zijn dan hofschilder Jan van Eyck? Andere kunstenaars zouden nooit kiezen voor een dergelijke thematiek.

Uit materiaaltechnisch onderzoek blijkt dat de oorspronkelijke kleuren in de tekening gedeeltelijk zijn verdwenen. Dat kan verklaren waarom de gezichten van de figuren, waaruit het roze is verdwenen, ietwat lomp overkomen. Toch is het moeilijk te geloven dat deze figuren van dezelfde hand zouden zijn als Van Eycks onbetwiste werken, die wonders zijn van messcherpe observatie en feilloze weergave.

Expert op het gebied van de laatmiddeleeuwse schilderkunst Hugo van der Velden, hoogleraar aan Harvard University, heeft zijn twijfels. Hij werkt aan een boek over de jaren 1422-1425, waarin Van Eyck, die mogelijk is geboren in Maaseik en later in Brugge furore zou maken, in Holland verbleef.

Van der Velden plaatst het ‘zeer interessante’ blad in Van Eycks omgeving. Volgens hem moet de tekenaar Jans werk goed hebben gekend. Hij lijkt er een pastiche op te hebben gemaakt. „Het geheel ontbeert de coherentie die je van Van Eyck zou verwachten”, beweert Van der Velden. „De personen vertonen geen interactie. Ze zijn vanuit verschillende standpunten geobserveerd, zoals je kunt zien aan de dame geheel links, die vanuit een relatief laag standpunt lijkt te zijn getekend. De groepen vormen geen geheel, maar zijn verzamelingen van geïsoleerde figuren.”

Positiever gestemd is Carel van Tuyll van Serooskerken, hoofd van de tekeningenafdeling van het Louvre. Hij noemt het werk een „opmerkelijk stuk van een ongelofelijke detaillering” en acht de nieuwe toeschrijving van het blad in zijn collectie „niet onaannemelijk”.

Van Tuyll benadrukt dat een wellicht minder voordelig uitvallende vergelijking met een magistrale Van Eyck-tekening als de studie voor het geschilderde portret van kardinaal Niccolò Albergati (1431) mank gaat. Uit Jans Haagse jaren is nu eenmaal weinig of geen vergelijkingsmateriaal bekend.