Wat je leert van af en toe eens heerlijk hard op je bek gaan

De studentenvereniging is de plek waar een student zichzelf leert zijn

Filosoof en historicus

Ik heb er zelf voor gekozen. En ik heb het gedaan. Dat mag, we leven in een vrij land. Ik heb het er leuk gehad. En ik heb er veel geleerd. Dat is toch het enige wat ons eventueel verder brengt: iets leren. Misschien heb ik er zelfs wel meer geleerd dan op de universiteit. Toch heb ik het niet vaak over mijn tijd bij het Amsterdams Studentencorps. Als je bekent dat je bij een dergelijke studentenvereniging hebt gezeten, zet je jezelf in de hoek als minachtende, eendimensionale en rechtse klootzak. De vraag is dus: waarom dan toch lid worden? Het antwoord is: om jezelf te worden.

Veel mensen koesteren een fascinatie voor het corps, dat geheimzinnige genootschap dat achter gesloten deuren samenkomt. Toen omroep BNN vorig jaar de serie Feuten uitzond, trok de eerste uitzending meer dan vierhonderdduizend kijkers. Het tweede seizoen begint volgende week. Mensen zijn blijkbaar nieuwsgierig naar het reilen en zeilen binnen studentenverenigingen. Toen ik de eerste aflevering van het eerste seizoen van Feuten zag, dacht ik: nee, de vorm lijkt wel, maar de inhoud klopt niet. Dat doe ik niet. Zo zijn wij niet. Maar goed, dacht ik daarna, misschien ben ik wel iemand met een donkergrijs pak aan, op een begrafenis, die al die andere mannen in pak ziet en denkt: ‘Nee, zo is mijn pak niet, zo zonder omslag, met vijf knopen, zulke schoudervullingen en met die lengte broekspijpen’ – maar voor de toeschouwer zijn al die pakken natuurlijk gelijk. Pas toen viel het kwartje. Dus zo kijkt de buitenstaander tegen ons aan: als karakters uit Feuten. Waar iedereen hetzelfde is en voor zijn verantwoordelijkheid wegloopt. Dan weet ik ook niet of het iets is om trots op te zijn, zo’n lidmaatschap.

Kijken is hoe dan ook een toepasselijk werkwoord als het om studentenverenigingen gaat. De meeste studentenverenigingen zijn gesloten gemeenschappen. De Franse filosoof Michel Foucault (1926-1984) heeft veel geschreven over gesloten gemeenschappen. Hét voorbeeld van een gesloten gemeenschap was voor hem het Panopticon, een aan het einde van de achttiende eeuw bedacht gevangenismodel. Het Panopticon is een koepelgevangenis, waarin de glazen cellen concentrisch zijn gebouwd. In het midden staat een toren voor de bewaker – een soort vluchtverkeerstoren. Vanuit die toren kijkt de bewaker – de maatschappij – naar de gevangenen in de gemeenschap. De gevangenen kunnen de bewaker niet zien. Ze weten dus nooit of hij naar ze kijkt. Deze onzekerheid beïnvloedt hun gedrag: omdat het risico bestaat dat de ander kijkt en oordeelt – straft –, gedragen ze zich naar de wetten van de maatschappij.

Het idee van het Panopticon is het creëren van een verantwoordelijkheid, een moraal, opgelegd door de ander. Binnen de gesloten gemeenschap van de studentenverenigingen kijkt de maatschappij nu juist niet mee. De maatschappelijke bewaker ontbreekt. Studentenverenigingen kennen hun eigen wetten, hun eigen rechtspraak. Het kernidee van een studentenvereniging is het creëren van een eigen verantwoordelijkheid, van een eigen moraal – van een authentiek, eigen karakter. In tegenstelling tot de gevangenis doen de leden van het corps dit zelf. Zij zijn het die in die toren zitten. Zij bepalen een koers. Natuurlijk, overgeleverde gebruiken van de studentenvereniging zijn hierbij bepalend, maar die gebruiken worden steeds opnieuw intern geijkt – door de ‘gevangenen’ zelf. Het corps lijkt een statische entiteit, maar staat bol van invented traditions, en de lijst van dergelijke tradities die snel daarna weer verloren zijn gegaan, is veel langer dan de lijst van de tradities die er nog zijn. Doordat leden zelf de vereniging zijn, moet iedereen zijn eigen pak in elkaar naaien. Op Märklinschaal leert het lid zo alle facetten van een (maatschappelijke) moraal kennen.

Tegelijkertijd zit je natuurlijk nog wel opgesloten in die gemeenschap, met interne gebruiken, normen en regels – waarvan vele zijn afgeleid van de ‘echte’ maatschappij. Dat is het paradoxale van vrijheid: we hebben kaders nodig om daarbinnen vrij te kunnen zijn. Zonder regels kun je als voetballer niet ongehinderd pingelen: je wordt opgepakt en op de grond gegooid. Er is geen spel meer, alleen chaos. Zijn er binnen een vereniging geen regels en normen, dan is er geen sprake van een vereniging, maar een ieder-voor-zich. Je wordt als lid dus ook gevraagd je op een bepaalde manier tot deze zogenaamde mores te verhouden.

Positieve normen van het corps zijn: je bent student, dus je moet studeren (leden van studentenverenigingen studeren, in tegenstelling van wat vaak wordt gedacht, sneller af dan mensen die geen lid zijn), er zijn subverenigingen voor elke smaak (dit lijkt me een vorm van stimulatie): de toneelverenigingen, de blaadjes, een of ander subgezelschap. Negatieve gebruiken kunnen zijn: te veel drinken (‘toneelspelen is niet cool, gozerwijffie’), juist niet zelf nadenken (‘dûh!’), de vergissing begaan te denken dat de vereniging de hele wereld weerspiegelt of opdrukken als een goede vorm van ontgroenen beschouwen, etc. (En in die etc. liggen vele drama’s besloten.)

Maar dat is volgens mij een realistische weergave van de wereld: enerzijds, anderzijds. Het kan goed zijn, maar dat hoeft niet. Sommige mensen vinden dikke boeken lezen gaaf, anderen denken dat het typisch iets voor nerds is. Ook bij het corps. Het is niet altijd het één of het ander. Maar je mag wel kiezen. Je moet kiezen. Welk pak trek jij aan?

Of het nu in de gevangenis, bij een studentenvereniging of later weer in de maatschappij is, in een (gesloten) gemeenschap moet je leren om vrij te zijn. Om keuzes te kunnen maken. En die keuzes kunnen in eerste instantie nog wel eens de verkeerde zijn. Ik denk dat juist in deze tijden, met iPhones die alles vastleggen en een overvloed aan informatie en mogelijkheden – zeker als je begin twintig bent – het aantrekkelijk is om de wereld terug te brengen tot een duidelijk afgebakende speelplaats. Een speelplaats waar je zonder dat je bang hoeft te zijn dat alle anderen meekijken de ruimte hebt om te falen. Arnon Grunberg schreef vorige week nog op de voorpagina van de Volkskrant: „Identiteit is vooral kennis; om te weten wie je bent, moet je veel leren.” En leren gaat met vallen en opstaan. Daar kun je niet alleen voor lezen. Toen ik in Berlijn studeerde, viel het me op dat Duitse studenten hun studie een stuk serieuzer nemen dan hun Nederlandse evenknieën. Maar ik leerde ook dat dit niet betekent dat ze allemaal per se ‘volwassener’ zijn. Kennis is namelijk niet alleen inzicht uit boeken. Kennis is ook ervaring. Wetenschap die voortkomt uit wat je hebt gedaan, wat er is gebeurd.

Waarom lid worden, dus? Welnu, om in een beschermde omgeving af en toe eens heerlijk hard op je bek te gaan. En je kop van het asfalt te schrapen en weer op te krabbelen. Dan heb je dat in ieder geval al gehad. Een eerste keer. En ben je weer een stap dichter bij jezelf worden.

Vandaag verschijnt van Philip Huff de roman Niemand in de stad (Uitgeverij De Bezige Bij), over studenten in Amsterdam