'Waarmee kan ik het orkest verrassen?'

Kurt Masur probeert ieder jaar te dirigeren bij het Concertgebouworkest. „Ik houd van dit orkest. Het heeft een hoge spirit en een sterke moraal. Dat kom je nog maar zelden tegen.”

Een harde kreet echoot door de Grote Zaal. Het is Kurt Masur, die het Koninklijk Concertgebouworkest tijdens een ochtendrepetitie laat horen hoe hij het níét wil. ‘A noble sound’ moet er klinken in het Eerste Vioolconcert van Bruch, dus niet een gretige maar te harde totaalklank. „De zaal is ontzettend sensitief”, zal hij later uitleggen in zijn dirigentenkamer, „en veel jonge orkestleden moeten daar wellicht soms aan herinnerd worden.”

De 84-jarige Masur is een imponerende figuur: boomlang lijf, grijze baard, oude maar priemende ogen. Repetities leidt hij graag staande, waarbij zijn hele lijf in beweging is. Door een ziekte aan zijn handen moest hij al op jonge leeftijd een carrière als pianist vaarwel zeggen, maar de tremor is de laatste jaren verhevigd. Dat maakt het ook moeilijker om zijn slag te volgen, en inzetten zijn niet zelden ongelijk. Timing is dus, naast klank, een belangrijk aandachtspunt. „Ta-ta-ta!” roept Masur al dirigerend om een tempo-overgang te verduidelijken.

Masur trekt zich van zijn handicap niets aan – in restaurants bestelt hij altijd soep. Zijn eerdere optredens bij het Concertgebouworkest blonken weliswaar niet uit in technische perfectie, maar wel in een rondborstig orkestgeluid van het volbloedig romantische soort. Hij legt de nadruk op het grote Midden-Europese repertoire, van Bach tot Sjostakovitsj, maar ook een nieuw werk van Tan Dun wekt nog altijd zijn nieuwsgierigheid. De historisch geïnformeerde concertpraktijk gebruikt Masur doorgaans hooguit als inspiratiebron. Zo repeteert hij het Eerste fluitconcert van Mozart dinsdagochtend aanvankelijk met een redelijk fors bezet strijkorkest, totdat op aanraden van zijn assistent-dirigent Ankush Kumar Bahl de achterste lessenaars worden weggezonden.

Mede door een lange carrière achter het IJzeren Gordijn debuteerde Masur laat bij het orkest. Sinds 1999 keert hij er bijna jaarlijks terug. „Ik houd van dit orkest”, zegt hij stellig, „het onderscheidt zich door een hoge spirit en een sterke moraal. Dat kom je nog maar zelden tegen. Veel gezelschappen moeten vechten voor hun bestaansrecht en geven dan atypische concerten in de hoop dat dit veel publiek trekt en geld binnenbrengt. Dat is dodelijk voor de artistieke integriteit. In Amsterdam is dat altijd anders geweest, wellicht ook door de sterke culturele omgeving: met al die mooie Hollandse schilderijen lijkt een verbond te zijn gesloten.”

Dat wellicht ook dit orkest niettemin last krijgt van zware bezuinigingen, daarvan wil Masur niets weten. „Bij grote instellingen als het Concertgebouworkest, de Wiener en de Berliner is niet alleen sprake van een geweldig ensemble. Het is ook een traditie. Een politicus die roept dat de tent dicht moet, zal worden weggehoond en zijn baan verliezen.”

Masur heeft nooit een politieke carrière geambieerd, maar werd wel genomineerd als eerste president van een verenigd Duitsland (hij sloeg het aanbod af). Die eer was te danken aan zijn interventie tijdens verhitte demonstraties in Leipzig in 1989. Terwijl tanks en demonstranten op een bloedige confrontatie afstevenden, riep de dirigent – ook namens een aantal gematigde politici – via de radio op tot kalmte. Tienduizenden mensen verzamelden zich daarop in het Gewandhaus, waar de stoom op vreedzame wijze werd afgeblazen.

In Leipzig had Masur toen al veel respect verdiend als Kapellmeister van het Gewandhausorchester, een positie die hij ruim een kwart eeuw bekleedde. De grenzen van Oost-Europa bleven toen grotendeels gesloten. Het Concertgebouworkest leerde hij allereerst kennen via plaatopnames met Haitink. „Dat oude geluid van Haitink hoor je in het orkest nog steeds terug. Het is veel lichter van klank dan het Gewandhaus, of de Berliner onder Karajan.”

Zijn Amsterdamse repertoire kiest hij zorgvuldig. „Ik wil de orkestleden graag een bijzondere ervaring meegeven. Waar kan ik ze mee verrassen? De Zesde ‘pastorale’ symfonie van Beethoven lijkt afgezaagd, maar de meeste dirigenten ontwijken het stuk. Ze denken dat orkesten hier al veel te bekend mee zijn. Dus is het zaak om tot een bovengemiddelde, geweldige uitvoering te komen. Als het laatste deel niet hemels klinkt, heb je iets niet goed gedaan.”

Bovendien: zo pastoraal naïef en gelukkig vindt Masur de Zesde niet. „Toen Beethoven last van zijn gehoor kreeg, ging hij vaker de natuur in om geen last te hebben van het lawaai van mensen om hem heen. Als je dat weet, sta je ook meer open voor de tragische aspecten die de symfonie kent. Het geluk is niet onschuldig maar probeert iets te verhullen.”

Het ongeluk heeft Kurt Masur in zijn lange leven niet altijd kunnen ontlopen. In 2002 moest hij ontslag nemen als chef bij de New York Philharmonic, eerder een wens van het orkestbestuur dan van de orkestleden. Nog veel ingrijpender was het auto-ongeluk waarbij hij in 1972 zijn tweede vrouw verloor. Kan muziek op zulke verdrietige momenten nog wel troost bieden? Masur is ervan overtuigd. „Ik hield erg veel van mijn vrouw, had na het ongeluk nergens meer zin in. Maar de directeur van het Gewandhaus hield in het ziekenhuis de partituur van Bachs Hohe Messe voor m’n neus: het eerstvolgende concert op het schema. De muziek heeft me enorm geholpen. Er gaat een religieuze kracht vanuit, die je kunt vergelijken met liefde. Met mijn derde vrouw ben ik inmiddels heel lang samen. Armzalig is hij die de god van de liefde niet kent.”

Stoppen met werken? Masur denkt er niet over. „Naarmate ik ouder word, krimpt mijn repertoire. Ik wil alleen nog stukken uitvoeren waarbij ik nog iets aan mijn eerdere uitvoeringen kan toevoegen. Maar de planning loopt nog altijd drie jaar vooruit. Wel zeg ik er steeds bij: sorry als ik voortijdig doodga!”