Syrische dictatuur zal niet vreedzaam democratiseren

Het Syrische regime leunt op een alawitische minderheid. Daarom leidt verandering al gauw tot een sektarische burgeroorlog, waarschuwt Nikolaos van Dam.

Hoe groot is de kans dat de Ba’athistische dictatuur in Syrië zal veranderen in een democratie? Is het een illusie dit te verwachten?

Toen de demonstraties in maart 2011 begonnen, was het Ba’athregime al een halve eeuw gewend aan het machtsmonopolie en koos het er voor elke oppositie met geweld en intimidatie de kop in te drukken, in het volle vertrouwen dat het dan wel gauw zou zijn afgelopen.

Dit gebeurde niet. De demonstranten gingen op bewonderenswaardige wijze steeds maar door. Het optreden van het regime werd daarna steeds gewelddadiger. Daarom werden de eisen van de vreedzame oppositie bijgesteld. De slogan ‘wij willen vreedzaamheid, vrijheid en respect’ werd vervangen door ‘wij willen de val van het regime’ en ten slotte ‘wij willen dat de president wordt geëxecuteerd’.

Vanaf het begin beweerde het regime dat er sprake was van geweld van de zijde van de demonstranten of oppositie. De oppositie ontkende dit evenwel hardnekkig. Dit werd klakkeloos geloofd. De beweringen van het regime werden in het geheel niet serieus genomen, ondanks het feit dat het aantal slachtoffers aan de zijde van het regime ongeveer een kwart bedroeg van het aantal oppositieslachtoffers. Als je zwaar bewapende militairen tegenover vreedzame demonstranten inzet, is het toch onmogelijk dat er zo veel regimeslachtoffers vallen?

Wel was duidelijk sprake van een meedogenloze propagandaoorlog. Hierin kwam de oppositie vele malen beter uit de verf dan het regime. Bijna alles wat in de buitenlandse media verscheen, was afkomstig van de oppositie. In elk geval was er sprake van disproportionele onderdrukking door het regime. Deze was al tientallen jaren gaande, maar nog nooit eerder zo duidelijk zichtbaar geweest voor iedereen.

Dat de beweringen van het regime vanaf het begin niet serieus werden genomen, was niet bevorderlijk voor het voeren van dialoog met het doel het geweld te beëindigen en te komen tot de nodige hervormingen. De kans om het regime in Damascus te beïnvloeden, was nauwelijks aanwezig.

Het was een gemiste kans. De Europese Unie en de Verenigde Staten legden een hele reeks sancties op, zonder ook maar enigszins te hebben gecommuniceerd met het regime. Sancties kunnen weliswaar bijten, maar het is zeer de vraag of ze het gewenste effect zullen hebben. In het verleden hebben sancties zelden gewerkt.

Alleen de Arabische Liga kreeg enige voet aan de grond, door een soort waarnemersmissie te mogen sturen. Syrië bleek wel gevoelig voor kritiek vanuit de Arabische kring. De aangekondigde sancties en het isolement binnen de Arabische Liga kwamen voor een nationalistisch regime als in Damascus duidelijk harder aan.

Hoewel de missie van de Arabische Liga door velen al gauw werd afgedaan als nutteloos, ja zelfs als legitimering voor verder geweld door het Syrische regime, kan er toch enige invloed van uitgaan. Als deze missie maar een fractie van de waarheid aan de oppervlakte brengt zoals die door de oppositie is afgeschilderd – en dat is eigenlijk al gebeurd – dan is dat misschien al voldoende om de zaak verder te laten bespreken in bijvoorbeeld Arabische kring en de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties. Dit kan een belangrijk vervolgtraject inleiden. Syrië zal zich evenwel ernstig verzetten tegen internationale bemoeienis met wat het beschouwt als een interne aangelegenheid.

Wat zijn de voornaamste obstakels voor een transformatie van dictatuur naar democratie in Syrië? Van enigerlei democratische traditie is nauwelijks sprake. Op zich hoeft dit geen doorslaggevende reden te zijn waarom democratie niet alsnog een goede kans van slagen heeft. Helaas zijn er echter nog vele andere krachten die de ontwikkeling naar een vreedzame democratie kunnen dwarsbomen.

Een specifiek voor Syrië geldende hindernis voor de transformatie van dictatuur naar democratie vormt het gegeven dat leden van de alawitische minderheid – 12 procent van de bevolking – in alle Syrische machtsinstellingen sterk zijn oververtegenwoordigd. Deze alawitische factor vormde steeds een sterke veiligheidsgarantie voor het regime, maar is nu een belemmering voor democratisering.

De alawitische heersers kunnen niet geleidelijk de macht overdragen aan anderen zonder het regime en zichzelf ernstig te ondermijnen en in gevaar te brengen. Daarvoor hebben zij te veel repressie en misdaden tegen de menselijkheid op hun geweten. Velen vrezen een soort bijltjesdag tegen deze alawieten als reactie op inmiddels bijna een halve eeuw onderdrukking. Zo’n confrontatie tussen de sunnieten en alawieten zou zelfs kunnen ontaarden in een burgeroorlog.

Vrijwel iedereen in Syrië is fel gekant tegen zo’n sektarische oorlog. Men is zich maar al te bewust van de mogelijke destructieve gevolgen ervan. Dit biedt het regime de mogelijkheid om de oppositie te chanteren, met het doel de oppositie en demonstraties toch maar op te geven. Met een sektarische burgeroorlog wordt de situatie ook voor de oppositie nog veel erger.

Met deze intimidatietactiek neemt het regime evenwel ook enorme risico’s. Als de sektarisch getinte repressie onbeperkt doorgaat, kan er een sektarische geweldsspiraal ontstaan die door niemand meer onder controle kan worden gehouden. Dan kunnen ook ‘de alawieten’ hiervan de dupe worden, niet alleen de alawitische aanhangers van het regime zelf, maar ook de alawitische tegenstanders ervan – en dat zijn er vele. Als ook zij zich bedreigd zullen voelen door de overwegend sunnitische bevolkingsmeerderheid (door wie zij vroeger zo werden gediscrimineerd), bestaat de kans dat zij zich, uit lijfsbehoud, alsnog zullen scharen aan de zijde van het regime.

Hoe moet het verder? Vier hoofdscenario’s dringen zich op.

1Een militaire staatsgreep van binnenuit het regime, die de weg effent voor de overgang naar een breder gefundeerd, autoritair regime dat bereid is om alsnog drastische politieke hervormingen door te voeren die ten slotte kunnen leiden tot een meer democratisch Syrië.

2 Assad blijft voor onbepaalde tijd aan de macht, maar voert hervormingen door die kunnen leiden tot een meer vreedzame vervanging van het Ba’athregime. De president kan in een later stadium de macht overgeven aan een overgangsfiguur die acceptabel is voor de oppositie en die het land kan begeleiden naar een democratischer systeem. Zo’n scenario moet voorzien in garanties voor het niet-vervolgen van de president en zijn entourage en in een veilig heenkomen in een ander land. Anders treedt hij niet af. Bij het al dan niet vervolgen van de president en zijn entourage is het een kwestie van kiezen tussen gerechtigheid en meer bloedvergieten, of minder gerechtigheid en minder bloedvergieten.

3Een bloedige, sektarische burgeroorlog die in niemands belang is en het meeste bloedvergieten zal opleveren van alle scenario’s. De uitkomst kan een andere dictatuur zijn, die niet per se beter hoeft te zijn, al helemaal niet voor de minderheden.

4Militaire interventie van buitenaf om het regime ten val te brengen en te vervangen door een democratischer regime. Hieraan zitten vele haken en ogen. Syrië ligt in het epicentrum van het Arabisch-Israëlische conflict. Het wordt geen simpele operatie met luchtaanvallen. Libië was relatief nog gemakkelijk. Ook bij een militaire ingreep van buitenaf staat geenszins vast wie de inboedel van het regime zal overnemen.

De toekomst ziet er voor Syrië allesbehalve rooskleurig uit. Het is van groot belang dat de internationale gemeenschap uiterst zorgvuldig hiermee omgaat. De mogelijkheid voor rechtstreekse Europese beïnvloeding van het regime is allang voorbij, maar misschien is er voor de Europese Unie nog een rol weggelegd via Arabische contacten.

Dr. Nikolaos van Dam is oud-ambassadeur in Indonesië, Duitsland, Turkije, Egypte en Irak (1988-2010) en auteur van The Struggle for Power in Syria (vierde editie in 2011). Dit artikel is een samenvatting van de derde Van Bylandtlezing voor het Nederlands Genootschap voor Internationale Zaken, die Van Dam vanmiddag heeft uitgesproken.