Soort promotie

De kleine kledingzaak aan de gracht bood in zijn etalage een afgeprijsde spijkerbroek aan. De verleiding was te sterk voor mijn vrouw en even later stond zij in een pashokje en ik tegenover een winkeljuffrouw die ik nooit eerder had ontmoet. Het was doodstil in de zaak, we waren dus tot elkaar veroordeeld.

Wat zeg je dan?

Het weer viel als onderwerp af, de winter liet ons in de steek. In een béétje winter moet het vriezen of dooien, voor een miezerig regentje en een halfslachtig briesje kopen we niks. Alleen al zo’n Elfstedentocht kan – ook al gaat hij uiteindelijk niet door – goed zijn voor hele sloten aan gespreksstof.

De winkeljuffrouw – tegen de zestig, donkerrood geverfd haar, verzorgd uiterlijk – legde de etalagepop waarvan zij de spijkerbroek had afgestroopt, op een tafel neer. Een mooie, naakte vrouw van kunststof, met een soort borsten, maar zonder vagina, alsof die niet terzake deed. Moeizaam probeerde de juffrouw de pop een andere broek aan te trekken.

„Kan ik helpen?”, vroeg ik.

„Het gaat wel”, zei ze vriendelijk.

Ik vroeg nog waar die poppen gemaakt werden. In Nederland. Dat schoot ook niet op. Ik liep naar het raam dat uitzicht bood op een bocht in de gracht. „Prachtige plek”, zei ik.

Ze knikte. „Maar het is jammer dat ze aan de overkant op de kade zo aan het breken zijn. De bomen zijn gekapt en de parkeerplaatsen komen niet meer terug. En het duurt allemaal zo vreselijk lang. Ze zijn nu alweer een jaar bezig.”

„Tja, Amsterdam.”

Een jaar breken in Amsterdam is niet veel, dacht ik, dan begint het eigenlijk pas. Na drie jaar kun je van enige vordering spreken, na vijf jaar ligt het werk enkele jaren stil en na tien jaar heeft de aannemer goede hoop dat over vier jaar het einde in zicht is.

„Kwestie van geduld”, zei ik.

„Ja, maar over een paar jaar zitten wij hier niet meer. De eigenaar wil ermee ophouden. Hij is niet meer zo jong en de zaak loopt de laatste jaren door de crisis minder goed.”

„Hoe lang bestaat deze zaak dan al?”

„Negenendertig jaar.” Ze zei het met enige trots. „En al die jaren heb ik meegemaakt, op een paar jaar na – toen werkte ik voor een ander.”

Mijn nieuwsgierigheid was gewekt, maar werd juist op het verkeerde moment, – zoals wel vaker – afgeremd door mijn vrouw die zich presenteerde in spijkerbroek. Winkeljuffrouw en ik spraken, zo bewonderend mogelijk, onze goedkeuring uit en stortten ons weer op de plotseling opgebloeide conversatie, terwijl mijn vrouw naar het pashokje terugkeerde.

„Waarom ging u opeens voor een ander werken?”

„Omdat ik dacht dat ik hier uitgekeken was.” Ze had opeens blosjes op haar wangen. „En ik kreeg een mooie aanbieding van een zaak in de P.C. Hooftstraat. Dat is in ons beroep een soort promotie. De P.C. Hooftstraat, dan heb je echt iets bereikt!”

Ze zweeg even. „Maar het viel zó tegen. Ik vond de sfeer in die zaak verschrikkelijk. De klanten werden arrogant behandeld. De manager zei: ‘Je ziet zó wie er wil kopen, de rest hoef je niet te bekijken.’ En de winkelmeisjes waren nog erger. Onverschillig, soms zaten ze gewoon een wijntje te drinken. Na een paar jaar was ik weer hier op mijn oude plek terug.”

Kennelijk had ze verwacht dat een kwalitatief hoogwaardiger werkkring ook moreel hoogstaander collega’s betekende.

„En nu blijft u?”

„Jazeker”, zei ze gretig, „tot mijn laatste snik.”