Joost Swarte: ‘Elke lijn draagt bij aan de inhoud’

Interview met Joost Swarte, van wie eindelijk een overzichtswerk verschijnt, ‘Bijna compleet’. „Ik probeer een verhaal helder over te brengen, zonder dat ik de figuren versimpel.”

‘Ik hou van de eenvoud van de lijn. En van het eenvoudige gereedschap. Ik teken altijd met een kroontjespen en met die lijntjes wil ik alles doen. Een penseel heb ik altijd onwillig gereedschap gevonden. Die pen ligt me wel. Wat ik probeer is de magie van de strip in het fysieke van de tekening leggen. In de lijn, niet in het verhaal, niet in de tekst.”

Joost Swarte wordt als geen andere Nederlandse tekenaar vereenzelvigd met ‘de klare lijn’. De benaming bedacht hij zelf in 1977 voor het werk van Hergé, bij het schrijven van de catalogus bij de eerste grote tentoonstelling in Nederland over de tekenaar van Kuifje. Swarte groeide zelf uit tot een superieur tekenaar van kraakheldere prenten. Joost Swarte is de klare lijn.

Het verbaast hem dat zijn vondst zo’n vlucht nam. „De woorden klonken als een klaroenstoot en dat was ironie. Maar lezers en journalisten gingen ermee aan de haal. Zó moest er getekend worden. De klare lijn werd tot religie verheven. Dat is onzin, want de kracht van Hergé is niet te reduceren tot één aspect. Zijn brille zit ook in de camerastandpunten, de vlakverdeling, het kleurgebruik en de scenario’s.”

Wat Swarte zo goed maakt, is zichtbaar in Bijna compleet, een overzicht van zijn stripwerk. Met de verschijning van dit boek, komende week, is er eindelijk weer een goed overzicht verkrijgbaar van een tekenaar die internationaal door zijn collega’s op een voetstuk wordt geplaatst.

Charles Burns noemt hem onomwonden een genie, Art Spiegelman prijst zijn „visuele intelligentie” en eert hem als een belangrijk tekenaar, Chris Ware geeft toe hem bestudeerd, gekopieerd en geplagieerd te hebben. Het is nogal wat als drie van de belangrijkste hedendaagse tekenaars dat over je zeggen. Joost Swarte verzamelt bijna achteloos zulke complimenten.

Voor een verzameld werk van een ijverige tekenaar van inmiddels 64 jaar is Bijna compleet een compact boek. Swarte tekende nooit volledige albums. Het langste verhaal in Bijna compleet is zestien pagina’s en daar zijn er twee van. Na 1980 legde Swarte zich toe op illustreren (voor onder andere The New Yorker, Humo en Vrij Nederland) en maakte affiches, boekomslagen, platenhoezen, postzegels en logo’s. Daarnaast ontwierp hij meubels, boeken en glas-in-loodramen. Hij was medeoprichter van stripuitgeverij Oog& Blik en mede-initiatiefnemer voor de Stripdagen Haarlem. Zijn uitwaaierende belangstelling en zijn geometrische stijl culmineerden in het ontwerp van een theater in zijn woonplaats Haarlem, De Toneelschuur. Strips maakte hij nog voor Franse bladen en het Amerikaanse RAW, het magazine van Art Spiegelman en zijn vrouw.

Bijna compleet verschijnt tegelijk in het Frans, Engels, Italiaans, Spaans en Nederlands. De Noorse uitgever neemt iets meer tijd. Het boek is een Frans initiatief en laat zien hoe Swarte in de jaren zeventig ogenblikkelijk internationaal de aandacht trok met zijn stripfiguren Jopo de Popo en Anton Makassar. Jopo heeft een kuif, hoog en steil als een haaienvin. „Jopo is geïnspireerd door de Marx Brothers”, vertelt Swarte in zijn atelier in Haarlem. „Die herken je alle aan een dwaas kenmerk in hun gezicht. Groucho had zijn opgeverfde snor, Chico zijn hoedje, Harpo zijn krullenbol. Er was ook een Amerikaanse stripfiguur, Happy Hooligan, met op zijn hoofd een conservenblikje waarvan het dekseltje open stond. Dat vond ik een fantastisch beeld. Uit die eigenaardigheden is Jopo geboren.”

Maar bovenal is Jopo ontstaan uit Swartes liefde voor muziek. „Eigenlijk is zijn kapsel een muzieknoot. Het stokje heb ik tussen het bolletje en het vlaggetje weggehaald. Het vlaggetje staat op het bolletje van de noot. Dat is het hoofd van Jopo.”

Jopo beleeft korte avonturen, soms maar een strookje lang. In het zestien pagina’s tellende Imago Moderna komt hij een nacht lang op de meest wonderlijke plekken. Dat Swarte nooit tot 64 pagina’s kwam, is een kwestie van financiën, zegt hij. „Van voorpublicaties in striptijdschriften kun je leven, maar de undergroundbladen waar ik voor tekende, hadden niet de frequentie om dat te kunnen doen.”

Ook zijn onrustige aard verhindert een lang verhaal of graphic novel. „Ik ben iemand van de hak op de tak. Ik mis het geduld om twee jaar lang niks anders te doen dan aan één boek werken. Dat vind ik saai. Het is leuker om iets af te ronden en met iets nieuws te beginnen.”

Tegenover de vrijgevochten Jopo staat de keurige meneer Anton Makassar. Swarte: „Het is een licht ontvlambaar personage, hoewel enigszins burgerlijk. Jopo en hij zijn allebei eigenwijze mannetjes. Jopo is een geboren slachtoffer, maar Anton onderneemt nog van alles, zonder dat het overigens tot veel leidt.”

Die falende ambitie weerspiegelt het levensgevoel van Swarte. „Mensen hebben het idee dat ze verheven zijn boven andere diersoorten, maar zo verstandig zijn ze ook weer niet. De mens is een onhandige soort. Over ons leven hebben we minder controle dan we ons toedichten.”

Dat bleek al bij zijn studie industriële vormgeving. De combinatie van techniek en creativiteit trok hem, maar hij concludeerde dat hij met striptekenen expressiever kon zijn. „Ik had gelukkig een aardige vader, die zei: ‘Normaal gesproken zou ik je die laatste twee jaar nog betaald hebben. Dat ga ik nu ook doen.’ Ik ben als een speer gaan tekenen.”

Hij publiceerde strips in een blad van fotograaf Paul de Nooijer – „wel een hip blad” – en de Andere Krant, van de Eindhovense Kunststichting. Daarin verscheen zijn eerste strip. „Het was een satirische strip over een kunstenaar die zich opwierp als planoloog bij de gemeente, en die buitenwijken niet meer geometrisch creëerde, maar op basis van de vormen een bloem. Ik vond het leuk om dat door te prikken.”

In 1971 begon hij zijn eigen blad, Modern Papier. „Ik spoorde mensen uit mijn omgeving aan om strips te gaan maken en jonge tekenaars van wie ik zag dat ze vernieuwend waren schreef ik aan, of ze in mijn blaadje wilden publiceren.”

Dat bracht hem in contact met uitgeverij Tango die een boek wilde maken met jonge tekenaars. Cocktail Comics – ‘met het beste uit de undergroundstrip van dat moment’ – verscheen in 1973 met werk van onder meer Evert Geradts, Ever Meulen, Peter Pontiac, Willem, Marc Smeets en Swarte zelf.

In de aanloop naar dat boek bepaalde Swarte zijn eigen stijl. „Wat ik tot dan toe tekende was niet zo coherent. Als ik de kans kreeg om in een goed gedistribueerd boek te komen, zei ik tegen mezelf, dan moest ik het beste maken wat ik in me had.” Swarte wierp zich serieus op het bestuderen van tekenstijlen. „Zo ontdekte ik dat in de boeken van mijn jeugd, in Kuifje van Hergé met name, iets gebeurde wat mij meenam als lezer. Tegelijk werkte ik met de vrijheden die de underground had gecreëerd, zoals het aansnijden van volwassen thema’s: seks, geweld, maatschappijkritiek. Met die wat bizarre combinatie van eigenschappen vond ik mezelf als tekenaar.”

Na de verschijning van Cocktail Comics nam cartoonist Willem (Bernard Holtrop), die in Parijs woonde en daar naam had gemaakt, het boek mee en introduceerde Swarte bij zijn uitgever. „Die uitgever gaf een stripblad uit, Charlie Mensuel, en daar kwam mijn strip Ceasar Soda in. Dat werd meteen een hit.”

Dat was op 1 april 1974. Een maand publiceerde het blad Fred Fallo, naar een scenario van Willem, in het novembernummer stond Imago Moderna van ‘Jodo de Paio’. En zo verschenen er meer strips in Frankrijk. „Af en toe ging ik met de trein naar Parijs om een nieuw verhaal te brengen en dan kwam ik met een cheque weer thuis.”

Via zijn vrienden Evert Geradts en Leny Zwalve, die het stripblad Tante Leny Presenteert uitgaven, ontdekte Swarte veel Amerikaanse tekenaars. „Ik wilde alles van strips weten, ook om mezelf te verbeteren. Pagina’s van The Spirit van Eisner tekende ik na, om te zien waar die vreemde schaduw opeens angstaanjagend werd en hoe hij zijn typografie in zijn tekeningen verwerkte. Wat ik ook deed was transparant papier leggen over werk van tekenaars die niet in lijn tekenen, om te ontdekken waar die lijn zou moeten komen.”

Maar zijn jacht op de ideale lijn ging in tegen het wezen van de vernieuwing van de undergroundstrips, waarin het maatschappelijke verhaal juist een grote rol speelde. „Nu vond ik mijn eigen verhalen ook weer niet zo goed in die tijd, dus ik heb een periode het accent behoorlijk op het tekenen gelegd. Toen kwam ik erachter dat de kwaliteit van een stripverhaal voor een groot deel afhangt van de manier van vertellen. Wat is je camerastandpunt, hoe kap je scènes af, hoe kadreer je, hoe wek je verwachting voor volgende scènes.”

De tekening won het uiteindelijk bij Swarte. Zijn genie ligt erin een bijna compleet verhaal te vangen in één beeld. Zoals op een recente cover voor The New Yorker: diep tussen de zwarte wolkenkrabbers zit een mannetje te lezen, op wie een brede lichtstraal valt, waardoor hij in kleur oplicht. Prachtige tekening, mooie metafoor, vol solitair geluk én melancholie. Swarte: „Ik probeer een verhaal helder over te brengen, zonder dat ik de figuren versimpel. Bij die tekening was het onderwerp summer reading, vandaar dat harde licht en scherpe schaduwen. Ik teken niet zomaar een decor. Elke lijn draagt bij aan de inhoud.”

Als geen ander kan Swarte het met één beeld af. In dat opzicht is hij geen echte striptekenaar, wat hij met enige tegenzin toegeeft. „Die bondigheid dringt ook mijn strips binnen.” Hij verwijst naar recente losse strippagina’s die hij maakte voor Hollands Diep en The New Yorker. „De mogelijkheid om beweging op te knippen en de belangrijkste momenten te kiezen, heb ik niet altijd voldoende uitgebuit. Nu probeer ik mijn vertelling meer in te dikken.” Hij sluit niet uit dat hij ooit nog aan een graphic novel begint. „Maar zo’n lang verhaal… Het is nogal wat.”

Joost Swarte: ‘Bijna compleet’. Oog&Blik/ De Bezige Bij, 144 pag. € 24,90