Joods schisma dreigt door Ralbag

De discussie rond rabbijn Aryeh Ralbag legt een dieper conflict bloot binnen de joodse gemeenschap, tussen ultraorthodoxen en meer gematigden.

De een noemt hem een „malloot”. De ander vindt dat hij „publiekelijk te schande is gezet”. Weer een ander spreekt van „totale vernedering voor de joodse gemeenschap in Nederland”. Op een besloten Facebook-forum voor orthodoxe joden, wordt fel gedebatteerd over de controverse rond opperrabbijn Aryeh Ralbag.

Ralbag (65) raakte deze week in opspraak. Hij had zich geschaard achter een verklaring waarin homoseksuelen worden aangemoedigd in therapie te gaan. De opperrabbijn ondertekende deze Declaration On The Torah Approach To Homosexuality namens de Joodse Gemeente Amsterdam, ook wel de Nederlands-Israëlietische Hoofdsynagoge Amsterdam, kortweg: NIHS. Dit is een gemeenschap van orthodoxe joden van Midden-Europese komaf. Omdat het bestuur zich van de verklaring distantieert, wordt Ralbag „voorlopig” uit zijn functie ontheven. Volgende week wacht de opperrabbijn, die momenteel in Israël zit, een pittig gesprek.

In Nederland worden rabbijnen zelden publiekelijk afgevallen door geloofsgenoten. Joodse wetsgeleerden worden meestal met respect behandeld, een diep gewortelde traditie die in het Hebreeuws met kevod harav (eer voor de rabbijn) wordt aangeduid. „Je moet behoorlijk wat verkeerd doen om op non-actief te worden gesteld”, zegt een ingewijde, die niet met zijn naam in de krant wil. „Daarom grijpt deze rel veel joden aan.”

Op het eerste gezicht lijkt de controverse vooral te draaien om de persoon Ralbag, die veel van zijn tijd in de Verenigde Staten doorbrengt. De rabbijn is tevens hoofd van Triangle K, een bedrijf dat in New York koosjere levensmiddelen certificeert; volgens critici een dubbelfunctie die zijn onafhankelijkheid aantast en hem financieel gewin oplevert. Ook de uitgesproken opvattingen van Ralbag worden niet door iedereen gewaardeerd. Zo stelde hij enkele jaren geleden dat trouwen met een niet-joodse partner „spirituele zelfmoord” is.

Maar er is meer aan de hand, blijkt uit een rondgang langs rabbijnen en joodse bestuurders. Zij stellen dat Ralbags stellingname een dreigend schisma tussen ultraorthodoxen en meer gematigde orthodoxen heeft blootgelegd. Beide groepen maken deel uit van de NIHS, die zo’n 2.500 leden telt. Maar de eerste groep is klein – zo’n 200 leden – en steeds minder invloedrijk. Deze joden hebben het gevoel dat hun levenswijze onder druk staat.

„Een hard brullende groep”, noemt Hadassa Hirschfeld de ultraorthodoxen, die zelfs door sommige rabbijnen als extremistisch worden bestempeld. Hirschfeld is voorzitter van Kol Chadasj, de grootste fractie in de Raad van de NIHS, die eerder deze week afstand nam van de visie van Ralbag. „Homoseksualiteit is geen keuze, net zo min als heteroseksualiteit een keuze is of een witte of zwarte huidskleur”, stelde zij in een persverklaring.

Bij ultraorthodoxe genootschappen zijn homoseksuelen welkom, zegt de streng religieuze advocaat Herman Loonstein. „Maar in de praktijk hebben zij niet dezelfde rechten als heteroseksuele leden.” Zo krijgen homoseksuelen volgens hem geen joods huwelijk, maken zij geen deel uit van de kerkeraad, worden hun kinderen niet erkend en weigeren joodse begraafplaatsen zerken waarop de homoseksuele partner van een overledene wordt vermeld. Loonstein vindt het „misleidend” dat het bestuur van de NIHS afstand heeft genomen van de opvattingen van Ralbag. „Het doet geen recht aan de werkelijkheid.”

Als het bestuur Ralbag definitief uit zijn functie verwijdert, gaan de ultraorthodoxe leden van de NIHS „hun eigen ding doen”, verwacht Esther Voet, voormalig hoofdredacteur van het Nieuw Israëlietisch Weekblad. Volgens Voet juicht een groeiende groep joden zo’n schisma binnen de joodse orthodoxie toe, omdat de denkbeelden van de fracties in de NIHS te ver uiteenlopen. „Het is niet meer met elkaar te verenigen.”

Als Ralbag aanblijft leidt dit ook tot rumoer: onder progressief orthodoxe joden. Hirschfeld voorspelt dat leden van de NIHS hun blik zullen gaan verbreden, door bijvoorbeeld zelf nieuwe initiatieven te ontplooien. „De oprichting van de Amsterdam Modern Orthodoxe Sjoel (AMOS) is een goed voorbeeld”, zegt zij. „Deze synagoge werd nog geen jaar geleden opgericht door een klein groepje gematigde orthodoxen, maar trekt nu al honderden bezoekers.” Mensen voelen zich volgens Hirschfeld thuis bij de doelstelling van AMOS: „Een open, tolerante en respectvolle invulling van onze duizenden jaar oude wetten en tradities.”

Bij de Liberaal Joodse Gemeente Amsterdam – met 2.200 leden de grootste liberaal-progressieve tegenhanger van de NIHS – volgen ze de controverse rond opperrabbijn Ralbag op de voet. Rabbijn Menno ten Brink, die vorig jaar zijn eerste homohuwelijk sloot, noemt het „alarmerend” dat een opperrabbijn ideeën verkondigt die niet breed gedragen worden door zijn achterban. „Ralbag is de spreekbuis van de orthodox-joodse gemeenschap”, zegt hij. „Dan mag je er toch van uitgaan dat hij namens zijn volgelingen spreekt.”