'Ik ben onbeschoft gelukkig in mijn vak'

Herman van Veen begint een tournee door Nederland. Hij trekt meer publiek dan ooit en denkt niet aan stoppen. „Als ik niet meer kan optreden, is het met mij gedaan.”

‘Tien hectare grond, allemaal bij elkaar gezongen.” Herman van Veen (66) zegt het vrolijk, op het erf van zijn vijftiende-eeuwse boerderij in Soest. Herten staan er in de wei, verder paarden, pauwen, honden en ganzen. Hij houdt van deze plek omdat het zo rustig is. Kalme passie, zegt hij, is de kern van alles wat hij doet. „Ik woon niet voor niets in een tuin.” Hier werkt hij aan zijn voorstellingen en schrijft hij aan zijn weblog en de boeken die met de frequentie van ongeveer één per jaar verschijnen. In 2010 een kloeke autobiografie, vorig jaar een bundel schetsen uit zijn leven met als titel Lieve hemel.

Het is de relatieve rust voor het begin van een tournee; vanavond optreden in België, daarna door Nederland. In zijn ruim twee uur durende voorstelling zingt Herman van Veen, speelt hij viool en vertelt anekdotes en grappen („Als ik geweten had hoe leuk het is om kleinkinderen te hebben, dan had ik die eerst genomen.”) Vóór de tournee heeft hij twee extra optredens in Carré, waar hij vorig jaar al 32 avonden voor uitverkochte zalen stond. „Dit succes hadden we totaal niet verwacht.”

Het gesprek heeft plaats in De Schaapskooi, een schuur die is verbouwd tot atelier. Hier schildert Van Veen; groot, abstract werk. Daar begon hij mee nadat zijn ouders waren overleden, vlak na zijn zestigste verjaardag. „Mijn vader had mij een koffertje nagelaten met zijn ‘ik-dingen’: horloge, diploma’s, onderscheidingen. Op een grauwe zondag heb ik dat opengemaakt. Ik zat daar zo met mijn handen gevouwen en zag: die lijken wel drastisch op die van mijn vader.” Zijn vader was typograaf en maakte houtsneden, maar hij had eigenlijk willen schilderen. „Chic gezegd ben ik achter die handen aangelopen. Van de ene dag op de andere ben ik gaan schilderen met verbluffend plezier. Van een paar van die streepjes kan ik enorm genieten.”

Regelmatig exposeert Van Veen, in Nederland, Duitsland en België en twee jaar geleden in Museum Singer Laren. „Ik schilder puur intuïtief. Muziek heb ik gestudeerd, daar heb ik controle, ik weet: een fis wil naar een g en niet naar een e. Dit doe ik zonder techniek. Dat blauw weet veel meer dan ik.” Het is verleidelijk te concluderen dat Van Veen voor deze nieuwe kunstvorm koos omdat een mens niet zijn hele leven kan blijven optreden. Maar dat ontkent hij met kracht. „Als ik niet meer kan optreden, zal het kort daarna met mij gedaan zijn. Ik houd zo veel van zingen en spelen, ik wil me een leven zonder niet eens voorstellen. Ik ben onbeschoft gelukkig in mijn vak. Het is wat ik ben. Ik heb elke twee jaar een check up en ook mijn cardioloog zegt: Herman, jij moet nooit met pensioen gaan.”

Wat wilt u bereiken met uw voorstelling, heeft u een boodschap?

„Natuurlijk heb je een gedachte hoe dingen zouden moeten zijn. Maar achter theater kan geen didactische boodschap zitten. Ik zing over wat er voor mij toe doet. Wat jij ermee doet is up to you. Ik ben de schipper van het schip en laat zien hoe onverwacht de wind is en hoe je dan laveert. Hoe je met windstilte omgaat. Allemaal metaforen voor het leven. Hoe ga je om met ziekte, angst, dood? Dat heb ik altijd zo gedaan, alleen nu ik ouder ben en meer ervaring heb, ben ik aanzienlijk helderder, duidelijker en effectiever.”

In de jaren zeventig was de kritiek nog dat u niet helder was.

„Ja, mag het? Waarom zou ik duidelijk zijn als het voor mij niet duidelijk is? Helder en niet waar was erger geweest.”

Hoe politiek wilt u zijn? U heeft het over schaamteloze graaiers.

„Daar bedoel ik mee dat ik denk dat de oorzaak van deze zogenaamde crisis niet in de laatste plaats te vinden is in de fenomenale hebzucht van personen zonder empathie voor hun omgeving. Dat zing ik zoals ik dat vind. Maar dat hoef jij niet te vinden. Je ziet dat ik in de voorstelling de positie van het kind aansnijd. Sinds mijn zeventiende beschouw ik mezelf als kinderrechtenactivist. In het Verdrag Rechten Van Het Kind zijn afspraken gemaakt. Dat is een handleiding die slechts opengeslagen hoeft te worden bij polemieken als het uitzetten van een kind. Dat dat niet gebeurt, vind ik pervers. Cabaretiers hebben het ook daarover. Maar bij mij is niet de actualiteit de aanleiding maar de oorzaak.”

Waarom wilt u per se geen cabaretier genoemd worden?

„Cabaretier ben ik op geen enkele manier. Ik ben muzikant met absurde aspecten en breng, om het in circustaal te zeggen, van dag op dag iets anders. In beleving en inhoud. Daar zit een structuur in, die in al die jaren niet is veranderd. Er vindt een begroeting plaats en dan is er een reis door een werkelijkheid die subjectief is, maar die niet beoogt te oordelen. Dat is volstrekt anders dan cabaret.”

Bent u bang voor de actualiteit?

„De actualiteit is een herhaling van zetten. Wij zeiden vroeger wel: het was actueel, we hadden veel succes en we waren vroeg thuis.”

Toen u zich kritisch uitliet over de PVV, in 2009, kreeg u bedreigingen.

„Daar was ik onthutst door. Ik mocht op de universiteit van Utrecht spreken en er ontstond een gesprek over structuren; de communistische, de fascistische. Daar kwam de PVV voorbij als een eenmansstructuur, die niet transparant is. Het was een wetenschappelijk gesprek en dat culmineerde in griezeligheden waardoor ik enige maanden in concrete vrees leefde. Dat is fenomenaal overgewaaid.”

Bent u voorzichtiger geworden?

„Ook ernstiger. Ik dacht dat het zo’n vaart niet zou lopen en toen liep het zo’n vaart.”

Herman van Veen stond op zijn twintigste voor het eerst op het podium met het muzikaal clowneske programma Harlekijn. Daarna werden de zalen steeds groter. In 1971 stond hij voor het eerst in Carré, voor 271 mensen van wie de helft familie. Hij schreef in 1976 een voorstelling voor kinderen over de eend Alfred Jodocus Kwak die later ook in boekvorm verscheen. Alfred, zegt Van Veen, is in ongeveer vijftig landen „quite a guy”. Begin februari wordt de muziektheatervoorstelling uitgevoerd door het Residentie Orkest, maar Van Veen speelt zelf niet meer mee. „De eend moet nu zelf waggelen.” Na zijn Nederlandse tournee gaat Van Veen in juni door naar Oostenrijk, Zwitserland, Duitsland. Zo’n reis maakt hij elke drie, vier jaar. Daarnaast doet hij geregeld Londen, Parijs en New York aan.

Is het topsport, wordt het zwaarder?

„Dat lijf, ik moet er meer voor doen om hetzelfde te presteren. Ik ben ook meer bezig erover na te denken. Je maakt je een voorstelling van de voorstelling die je gaat spelen. Dat begint al als ik opsta, dan moet ik al denken: ik moet goed opletten als ik die sprong maak, dat ik niet op mijn hakken land want dan zeggen die wervels hatsekidee. Toen we begonnen, kon ik om kwart voor acht het theater binnen lopen, zo uit de auto het toneel op. Dat ik dat ooit heb gedurfd! Nu stap ik om twaalf uur in de auto en om twee uur loop ik dat theater binnen. Ik moet rekening houden met wat er op het toneel staat, anders stoot ik me. Je moet afstanden bekijken, blikrichtingen, vochtigheidsgehalte voor je instrumenten. Je let op tocht. Allemaal dingen waarvan ik toen ik jong was niet wist.”

Zijn er dingen die niet meer kunnen, zoals naakt op het podium staan?

„Ha, dat zou ik inderdaad niet meer doen. Ik heb het vroeger gedaan om mensen de zaal uit te krijgen, als schrikbeeld, maar het had het tegenovergestelde effect.”

U imiteert de hoge stem van een elfjarige en een sopraan. Is uw stem veranderd?

„Ik kan heel hoog en laag en vooral hard zingen. Ik voel dat ik steeds meer kan. Je stem wordt met de ouderdom lager maar mijn klassieke opleiding sleept me er doorheen. Als ik kracht verlies, ga ik over op techniek. Bijvoorbeeld de countertenortechniek, daarvoor moet je sterke bilspieren hebben.”

In zijn voorstelling zingt Van Veen vooral nieuw repertoire. Een bekend nummer zoals Anne, komt maar af en toe voorbij. „Als het oud is, dan is dat op vriendelijk verzoek”, zegt hij. „Dan heb ik een mail gehad: onze vader heeft een nieuwe vrouw leren kennen en zou het erg op prijs stellen als u dit of dat, en dan zing je zo’n oud stuk. Verder heb ik altijd de geschiedenis gemeden en een dagboekstructuur gespeeld. Het allerleukst is om vandaag te zingen wat ik gisteren heb geschreven.”

Het publiek in de zaal is gevarieerd, van jong tot oud. Volgens Van Veen is 40 procent net twintig. „Ze komen omdat dit iets van hun ouders is maar ook van henzelf, omdat ik de vader ben van Alfred Jodocus Kwak. Ze zijn met die stem opgegroeid. Je hoort vaak: toen wij vroeger naar Frankrijk reden, werden we stil gehouden met acht uur liedjes van die meneer. Nu hebben ze zelf een portemonnee en komen ze kijken. Ze komen na afloop veel babbelen en een high five geven.”

„U hebt mazzel”, zei u eens tegen de zaal. „De helft van mijn publiek is overleden.”

„Toen ik begon, zaten er ook mensen van zestig. Die zijn nu overleden. Er is een aanwas gekomen die groter is geworden. Omdat je toch een kwaliteit uitzingt die sustained is en waar meer mensen getuige van willen zijn.”

U was de eerste die Ivo Niehe opbelde na zijn bekritiseerde interview bij ‘Pauw en Witteman’ waarin hij zichzelf feliciteerde met zijn optreden in Mogador, het Carré van Parijs. ‘Welkom bij de club’, zou u gezegd hebben. Wat bedoelde u?

„Ik heb hem willen zeggen dat ik dat herken. Na een voorstelling heb je een heel ander besef. Een mens kan dan zo gelukkig zijn. Als iemand weet hoe ingewikkeld Parijs is, ben ik het. Ik speel er 35 jaar, het is een van de lastigste landen ter wereld. Als je zegt, we willen om acht uur beginnen, zeggen ze ‘peut-être’. Als het doek dan om acht uur open gaat ben je al vreselijk blij. Ivo stond voor een volle zaal met een euforisch publiek. Hij is uitgeflipt, mag hij? Ik heb een andere ervaring. Altijd doe ik mijn best het in Nederland zo weinig mogelijk over mijn buitenlandse gebeuren te hebben. Het is informatie die er niet toe doet.”

Tijdens de toegift bij uw optreden komen vier conservatoriumstudenten op het podium. Doet u dat om een nieuwe generatie te helpen, zoals u bent geholpen door Toon Hermans en Wim Kan?

„Het is een resultaat van iets wat ik leuk vind om te doen, en dat is op toneelscholen en conservatoria babbelen met die kinderen. Dan zie ik iemand en denk: je zou eens moeten weten hoe mooi je bent. Die wil ik dan helpen met een ervaring. Dat doe ik voor mijn eigen plezier. Ik kan geweldig veel van die kinderen leren, omdat ik getuige ben van iemand die de dingen voor het eerst ziet. Daar bij te zijn, ik geloof niet dat ik iets mooier vind.”

Herman van Veen is tot eind mei op tournee in Nederlandse theaters. Inl. hermanvanveen.com