Een verloren liefde

Op grond van de vele reizen die Geert Mak door Europa heeft gemaakt en waarvan hij verslag heeft gedaan in zijn boek In Europa (2004) en een gelijknamige televisieserie zou je verwachten dat hij ook een kenner van Europa was. Zijn laatste publicatie, een pamflet van 94 pagina’s, doet daar ernstig aan twijfelen. Hij blijkt een van de velen te zijn die, in zijn eigen woorden, „te lang vastgehouden hebben aan een realiteit die gebaseerd was op wat we hoopten dat er zou gebeuren, niet op wat er gebeurde”. Geen goed uitgangspunt voor een journalist.

Het was pas de eurocrisis die hem de ogen opende voor het werkelijke Europa, en dat ziet er heel anders uit dan het gedroomde. In eerste plaats: er is „gebrek aan Europese identiteit. Ondanks al die jaren van Europees getrompetter voelen we ons slechts zelden Europeaan”. Er zijn „diepgaande cultuurverschillen, die, ondanks alle samenwerking, binnen Europa blijven bestaan”. Geen goede basis dus voor een politieke eenheid.

Daar wanhoopt hij dan ook aan. „Ik vrees dat het voorbij is”, en daarmee bedoelt hij het Europese project dat in 1950 van start ging. „Als iets ongenadig duidelijk is geworden, dan is het de onbestuurbaarheid van het huidige Europa als supranationale eenheid.” Op z’n hoogst is „een losser verband van Europese staten” mogelijk. Dat brengt hem in de buurt van De Gaulles „Europa der staten”, vervloekt door Maks geestverwanten.

Heeft hij dit werkelijk pas ontdekt tijdens de eurocrisis van de laatste jaren? Voor wie zijn ogen openhield, waren de werkelijke oorzaken van het falen van het supranationale ideaal toch al duidelijk? Mak stipt ze nu wel aan, maar tot een echte analyse komt hij niet. Terecht zegt hij dat het „bovenal een politieke crisis” is. We moeten dan ook „de politiek en democratie opnieuw centraal stellen”, zegt hij aan het eind.

Centraal stellen? Wat betekent dat precies? Trouwens, als thema is de Europese eenheid al lang gepolitiseerd, al is het „een politisering van populistische snit”, zegt Jan Rood in het januarinummer van de Internationale Spectator, waarvan hij de hoofdredacteur is. Maar dat is een politisering die Mak waarschijnlijk niet zint. Niettemin: populisten vormen in veel landen een macht die electoraal niet te veronachtzamen is.

Hij zegt dat de Europese landen „een dringende behoefte aan meer centrale leiding” hebben – maar dan wel een leiding die een beleid voert waar hij het mee eens is. In het interview met Laura Starink in deze krant van 3 januari komt hij uit op Duitsland als leider, maar het is „doodzonde” dat de Duitsers daarvoor de „grootsheid” missen. Duitsland is volgens hem te streng voor de Zuid-Europese zondaren. Leiderschap accepteert hij dus alleen op zijn voorwaarden.

Op die manier komt er natuurlijk niets terecht van de Europese eenheid. Ook Joop den Uyl stelde als minister-president in 1973 zulke voorwaarden: „De vraag wat voor samenleving wij in Europa tot stand willen brengen, is belangrijker dan het tempo waarin het proces van Europese eenwording zich voltrekt.” Voordat alle deelnemende landen het eens worden over het soort samenleving – een meer socialistische of een meer conservatieve – dat tot stand gebracht moet worden, kunnen we lang wachten.

En democratie, die Mak ook centraal wil stellen (wat dit ook moge betekenen)? Eerder heeft hij al de vraag gesteld of „onze democratieën supranationale vraagstukken eigenlijk wel kunnen hanteren”. Goeie vraag, want steeds duidelijker wordt het dat, omdat politici in de eerste plaats verantwoording verschuldigd zijn aan hun (nationale) kiezers, die een „toenemende voorkeur voor het eigene en nationale” vertonen, Europa geen prioriteit meer bij de politici kan hebben (zo het die ooit heeft gehad).

Mak meent dan ook dat het weggeven van soevereiniteit „ook het inleveren van democratie” betekent en dat de „Europese besluiten door de Europese burgers gedragen moeten worden, ook al is het soms tegen wil en dank [mijn cursivering, JLH]”. Hij geeft dus prioriteit aan Europese eenheid boven democratie. Dat is tenminste eerlijk. Maar hoe klopt dat met het centraal stellen van de democratie?

Hij doet wel meer uitspraken waarvan hij de portee niet lijkt te hebben doordacht. Zoals: „Er moet” – Mak grossiert in het werkwoord moeten zonder onderzocht te hebben of het wel kan – „op Europees niveau eindelijk een publieke eenheid worden geschapen, zoals dat in veel landen in de 19de eeuw op nationaal niveau is gebeurd.” Nu was die eeuw de eeuw van nationalisme, en daar waren twee wereldoorlogen het gevolg van. Wil hij werkelijk een Europees nationalisme?

Wat is het nut van zo’n uiting van persoonlijke ontgoocheling, die meer heeft van een litanie over een verloren liefde dan van een analyse? Mak zegt zelf dat er „nooit een goede publieke discussie” over Europa is geweest. Wat Nederland betreft, is dat waar, maar of zijn gemoedsuitstorting daartoe een nuttige bijdrage levert, is de vraag.

De titel van Maks boekje luidt De hond van Tišma. Het zou mij te veel ruimte kosten uit te leggen wat de betekenis hiervan is. De ondertitel moge volstaan: Wat als Europa klapt?