Amsterdam kiest voor spanning met Kennedy

Susanne Kennedy gaat regisseren bij Toneelgroep Amsterdam. In haar regies moeten acteurs zich inhouden en onderwerpen aan een strak regieconcept.

En gifgroene jurk draagt ze, en een helrode pruik, Els Dottermans. Haar gezicht gaat schuil achter schmink. Ze beweegt mechanisch haar heupen, verveeld, onverschillig. Haar blik is op het publiek gericht, haar stem is hoog en geforceerd. De andere acteurs: idem dito. Poppen zijn het, karikaturen, tekenfilmfiguren. Als ze al blijk geven van emotie, is dat uitvergroot en bewust artificieel.

Zo zag Susanne Kennedy’s regie van Fassbinders De Bittere tranen van Petra von Kant eruit. Zo regisseerde ze talloze voorstellingen bij het Nationale Toneel. En zo zal ze regisseren bij Toneelgroep Amsterdam, waar ze, vanaf 2013, op freelancebasis grotezaalproducties zal maken.

De van oorsprong Duitse Kennedy (1977) kwam in 2006 bij het Nationale Toneel. Een spannende combinatie, want haar strakke regieconcept van absurdistische uitvergroting en kunstmatig spel is weliswaar uniek, niet elke acteur, of elk stuk, laat zich in dat format dwingen. Maar vaak ging het goed. Met Sarah Kanes excessief gewelddadige Phaedra’s Love gaf een eigenwijs maker met veel tamtam in 2007 haar visitekaartje af. Het jaar erop sloeg ze met Dagelijks Brood van Gesine Danckwart volgens deze krant de plank mis. Te abstract, te minimalistisch, saai. Het deed denken aan een theaterschoolvoorstelling, volgens de recensent.

Haar volgende, Ibsens Hedda Gabler, was een revolutie. Ze deinsde er niet voor terug de vertelling ingrijpend aan te passen. „Een breuk met elke traditie”, schreef deze krant. „Onherkenbaar; maar gewaagd.”

Daarna ging het hard. Als haar beste regie tot dusver wordt Elfriede Jelineks Over Dieren (2010) beschouwd. De mechanische fysiek die ze haar spelers opdringt klopte schokkend goed bij de harteloze conversaties over vrouwen die Jelinek optekende uit Oostenrijks onderzoek naar prostitutie en mensenhandel. Kennedy won de Erik Vos-prijs voor regietalent. Er volgden uitnodigingen uit het buitenland, van Johan Simons bij de Münchner Kammerspiele, en van NTGent, waar ze De bittere tranen van Petra von Kant maakte.

Die voorstelling, haar grotezaaldebuut, kreeg wisselende kritieken, met één constante: hier wrong haar strenge regieformat. Topactrices als Betty Schuurman en Els Dottermans willen schitteren: inlevend spel bieden, hun virtuositeit etaleren. Dat kan vaak niet bij Kennedy, en dat voelde hier als een gemis.

Die spanning zou zich ook kunnen voordoen bij Toneelgroep Amsterdam. Ivo van Hove laat zijn acteurs immer vrij om hun talent te etaleren. Zij blinken uit in psychologisch realisme en houden niet erg van pruiken, schmink en bizarre verkleedpartijen, van al te veel abstractie en absurdisme. Zullen zij zich aan Kennedy’s dwingende vormconcept willen onderwerpen?

Bij het Nationale Toneel is het in elk geval gelukt. Cigdem Teke, Antoinette Jelgersma, Ariane Schluter en Tamar van den Dop speelden allen gedenkwaardige rollen onder Kennedy’s regie. Schitteren binnen een rigide vorm – het kan wel.