Vurig pleitbezorger van oude muziek

Gustav Leonhardt maakte het spelen van en luisteren naar oude muziek op oude instrumenten populair. Bach was zijn grote liefde. „Véél Bach spelen is goed.”

Natuurlijk gaf hij nog volop concerten. Een musicus bestaat door zijn spel, en Gustav Leonhardt speelde dan ook tot op het allerlaatst. In september gaf hij in het Concertgebouw nog een klavecimbelrecital met de muziek van componisten voor wie hij decennialang een lans brak: J.S. Bach, Louis Couperin, Forqueray, Froberger.

Zijn laatste recital was een maand geleden, op 12 december in Parijs. Leonhardt oogde broos, maar musiceerde met de hem typerende soevereine soberheid en welsprekendheid in het lijnenspel. Ondanks zijn zwakke gestel speelde hij de 25ste variatie uit Bachs Goldbergvariaties als toegift. Het waren zijn laatste noten als podiumkunstenaar, bleek later. De volgende dag kondigde hij aan definitief te stoppen met optreden, omdat zijn gezondheid te wensen overliet. Gustav Leonhardt overleed maandag, thuis in Amsterdam. Hij werd 83 jaar.

Leonhardt was de aartsvader van de authentieke uitvoeringspraktijk in Nederland. Met musici als Frans Brüggen en Ton Koopman speelde hij een pioniersrol in het spelen van oude muziek op oude instrumenten. Voor Leonhardt waren musici maar dienaren van de echte genieën van de westerse kunstmuziek: de componisten. En dan doelde hij vooral op Bach, want in den beginne bestond er voor Leonhardt louter Bach. Zijn waardering voor Sweelinck en andere voorlopers, navolgers en tijdgenoten van Bach kwam later.

Bach was Leonhardts grootste muzikale liefde. Maar hij was zelf de eerste om dat te nuanceren, met de intelligentie en humor die hem eigen waren, achter die eerste indruk van ernst en waardigheid. In het jaar 2000, rondom de herdenkingen van Bachs 250ste sterfjaar, verzuchtte hij in deze krant: „Al anderhalf jaar krijg ik alleen maar aanvragen voor concerten met Bach. Ik word er gek van! Véél Bach spelen is goed, uitsluitend Bach is vreselijk.”

In 1968 speelde een bepruikte Leonhardt zelf voor Bach in Die Chronik der Anna Magdalena Bach van Jean-Marie Straub. Logisch dat ze hem castten, verrassend dat hij de rol accepteerde.

Leonhardt was opgegroeid met Bach. Als „jochie” maakte de Matthäus Passion onuitwisbare indruk op hem. Middagen en avonden luisterde hij ademloos toe in de Grote Kerk in Naarden. Hij bezocht er de concerten, maar ook de repetities, want zijn vader was bestuurslid bij de Nederlandse Bachvereniging. Daar vormde zich de basis van zijn levenslange passie voor barokmuziek. Voor Bach wilde hij doorgaan in de muziek, door Bach koos hij voor orgel en klavecimbel. Gevraagd naar het waarom, glimlachte hij mysterieus. „Je kunt een genie niet omschrijven. Dat is nu juist het mooie.”

Gustav Leonhardt werd in 1928 geboren in ’s-Graveland, als zoon van twee bevlogen muziekliefhebbers. Zijn vader, zakenman, speelde dwarsfluit, zijn moeder viool. Er stond thuis een klein klavecimbel voor huisconcertjes, dat hij eerst met enige tegenzin, later met overgave leerde bespelen. Na de middelbare school was er geen twijfel: Leonhardt ging studeren aan de Schola Cantorum in Bazel, het toen nog jonge topinstituut voor de beoefening van en studie naar oude muziek. Hij studeerde verder in Wenen, orkestdirectie bij Clemens Kraus. Maar in de praktijk zat hij vooral in de bibliotheek, zich verdiepend in oude bronnen.

Met de wat steriele speelstijl van zijn beginjaren brak Leonhardt al snel, al klinken ook de vele uitvoeringen van klavecimbelmuziek die hij ná de jaren zestig op vele lp’s en cd’s vastlegde in hedendaagse oren soms geserreerd wanneer je ze vergelijkt met uitbundiger klavecinisten, zoals Leonhardts oud-leerling Richard Egarr. Leonhardts opnames – of het nu gaat om Bach, Couperin, Froberger of Forqueray – ontroeren door pure welsprekendheid.

Ondanks zijn vurige geloof in authentieke uitvoeringen was Leonhardt geen dogmaticus. Goed, hij hield ervan als de Matthäus werd besloten met stilte, en voor de sopraan- en altsoli prefereerde hij jongenssopranen, zoals in Bachs tijd gebruikelijk. Maar hij gaf toe ook diep geraakt te kunnen worden door uitvoeringen die niet authentiek waren. Uiteindelijk was de muziek zelf het állerbelangrijkste, het streven naar authenticiteit kwam daaruit voort.

Eind jaren vijftig richtte Leonhardt zijn eigen ensemble voor muziek van vóór 1700 op, het Leonhardt Consort. Zijn echtgenote Marie was er violiste, Leonhardt zelf selecteerde het vaak nog volstrekt onbekende repertoire en verzorgde het bronnenonderzoek dat de uitvoeringen schraagde. De plaatopnamen werden zo succesvol dat Leonhardt aan de wieg kwam te staan van een enorme opleving in de belangstelling voor oude muziek in Nederland, dat ging gelden als een mekka voor musici die zich wilden specialiseren in oude muziek.

Met zijn leeftijdsgenoot Nikolaus Harnoncourt, dirigent van Concentus Musicus Wien, legde Leonhardt in de jaren zeventig en tachtig de tweehonderd cantates van Bach vast op vele lp’s – een baanbrekend document. Beiden ontvingen in 1980, mede daarom, de Erasmusprijs voor hun bijdrage aan de ontwikkeling van de oudemuziekpraktijk.

In datzelfde jaar werd Leonhardt de vaste organist van de Nieuwe Kerk in Amsterdam. Voor concerten, want diensten werden daar niet meer gehouden. Oneindig jammer, vond hij. „Ik ben een religieus mens, en geef er de voorkeur aan kerkorganist te zijn tijdens de dienst. Een organist moet religieus zijn, vind ik. Een ongelovige die voor geld een dienst begeleidt waarin hij niet gelooft – dat is pervers.”

Als hij niet op een van zijn vele concertreizen was, gaf Leonhardt les, vaak aan het Sweelinck Conservatorium in Amsterdam. In 1990, inmiddels onderscheiden met minstens zeven eredoctoraten, stopte hij met lesgeven. Velen waren zijn leerling, maar je zult een leerling van Leonhardt niet snel als zodanig herkennen. „Een instrument is voor mij alleen maar een middel”, zei hij in NRC. „Ik heb mijn leerlingen hopelijk vooral aan het denken gezet. Waarom doe je dit zo, terwijl je daarnet iets anders deed? Bij een goed antwoord houd ik mijn mond. Anders komt er een gesprekje.”

Leonhardt koesterde het lesgeven. „Leerlingen houden je levendig, ze komen met nieuwe ideeën. Afgezien van de concerten met het Leonhardt Consort en het trio met Frans Brüggen en Anner Bijlsma, beide al lang geleden, speel ik al mijn hele leven bijna alleen solo. Dat is een soort droomwereld, heel irreëel.”

Privé had ‘Uti’, zoals hij door vrienden werd genoemd, een passie voor snelle auto’s. Een Porsche was er ooit, een Alfa Romeo met een sportstuurtje. Voor sommigen leek die frivolité slecht te rijmen met Leonhardts uitstraling. Maar Leonhardt was vooral perfectionist. Zijn veelzeggende uitspraak „het verschil tussen goed en voortreffelijk is klein, maar essentieel” werd bijna een tegeltjeswijsheid.

Pragmatisch kon hij ook zijn. Toen het oeuvre van Bach in 1999 in matige uitvoeringen werd aangeboden door drogistketen Het Kruidvat, zei hij: „Als er zo ook maar één mens wordt wakker geschud door muziek die hij anders nooit zou hebben leren kennen, is het goed geweest.”

Andere dirigenten en uitvoerenden van oude muziek verbreedden hun actieradius gaandeweg tot de negentiende of zelfs twintigste eeuw. Leonhardt trok een streep bij Mozart. „Latere muziek dan van Mozart doet me weinig”, zei hij in deze krant. „Maar als ik Beethoven hoor, vind ik die subliem, in vergelijking met tijdgenoten. Schubert ook.”

Leonhardt kwam zelf over als een man uit een andere tijd. Zijn woonomgeving, het monumentale Bartolottihuis (1617) aan de Amsterdamse Herengracht dat destijds het grootste en bijzonderste van Amsterdam was, paste uitstekend bij hem – al zou hij zelf, immer bescheiden, vermoedelijk hebben gezegd dat het andersom was.

Leonhardt woonde er van 1974 tot aan zijn overlijden. Wie de lange marmeren gang doorliep op weg naar een ontmoeting, had 34 meter om te wennen aan een andere wereld. „Muziek van na 1800 is mij wezensvreemd”, zei hij, „door mijn studie van de oude muziek heb ik helemaal geleefd in die oude tijd.”

In 2007 werd Leonhardt ziek. Hij herstelde, nam zijn concertpraktijk weer op en ontving in 2009 nog de Eremedaille in de Huisorde van Oranje van koningin Beatrix. Maar de ziekte keerde terug.

De uitvaart van Gustav Leonhardt is dinsdag, in de Amsterdamse Westerkerk waar hij zelf op zondagen naar de kerk ging.