The Matrix kijken om Plato te begrijpen

Filosofie had weinig op met film, het medium zou te frivool zijn.

Maar dat verandert. Vooral in de VS ontdekken filosofen de film als inspiratiebron.

Woody Allen mag graag Kierkegaard of Sartre citeren, aan het werk van Terrence Malick is af te zien dat hij ooit Heidegger vertaalde en Roberto Rossellini heeft films gemaakt over Socrates, Pascal en Augustinus. Maar over het algemeen was de verhouding tussen cinema en filosofie zelden hartelijk.

Filosofen vonden film al een frivool medium nog voordat hij geboren was. De grot van Plato, vol mensen die wezenloos staren naar schaduwbeelden op de wand en niet meer beseffen dat buiten de echte werkelijkheid wacht, leek zo’n tweeënhalf millennium geleden al sprekend op een bioscoopzaal. En ook de filmindustrie zat niet te wachten op moeilijke diepzinnigheid. „Films leveren vermaak”, zo moet een Hollywoodbaas ooit hebben uitgeroepen. „Wie een boodschap zoekt, moet bij Western Union zijn.”

Dat is, althans wat de filosofie betreft, aan het veranderen. Vooral in de VS heeft ze de film ontdekt als een belangrijke inspiratiebron. Het meest imposante teken daarvan is de recente vuistdikke bundel Introducing Philosophy through Film, waarin films gekoppeld worden aan teksten uit de filosofie: Total Recall aan Descartes, Dirty Harry aan Kant en High Noon aan Aristoteles. Eerder schreef Mary M. Litch al een door de cinema gestuurde inleiding in de filosofie en deed Christopher Falzon iets dergelijks in Philosophy Goes to the Movies.

Vooral het eerste, sterk didactische boek benadrukt dat films in de huidige beeldcultuur studenten sterker aanspreken als illustratie van filosofische problemen dan romans. Maar ook de andere auteurs erkennen dat filosofen steeds minder huiverig zijn over het sprekende beeld, dat het van oudsher moest afleggen tegen het betogende woord. Zij nemen het filmbeeld als denkbeeld serieus.

In al die boeken is een speciale plaats weggelegd voor de Matrix-trilogie, waarin de hoofdpersoon Neo ontdekt zijn hele leven in een schijnwereld te hebben doorgebracht. Terwijl zijn geest door een supercomputer een gesimuleerde realiteit voorgeschoteld kreeg, bevond zijn lichaam zich in werkelijkheid in een soort kweekbak. Pas wanneer Neo ontsnapt uit de schijnwereld die hij voor echt hield, begrijpt hij hoe de realiteit er werkelijk uitziet.

Filosofen zien daarin graag een parallel met Plato’s grot – waar de filmmakers van hun kant trouwens geen geheim van maakten. Wat ooit een oeroude mythe was, werd dankzij veel hightech en een oogverblindende artdirection actueel. Tegelijk is de film een antwoord op Plato’s eigen afkeer van alle kunsten, die een schijnwereld zouden produceren door een wereld na te bootsen die op haar beurt weinig meer dan schijn was. De ware werkelijkheid is volgens Plato buiten de grot te vinden, zoals die zich voor Neo buiten de computer bevindt.

Wantrouw het beeld, zegt Plato, en filosofen hebben het hem generaties lang nagezegd. Maar het is wel een film die dat – in het geval van The Matrix – duidelijk maakt. Kunst is dus niet een dubbele verleiding van schijn, zoals Plato dacht, maar biedt juist inzicht in de werkelijkheid. De grotachtige bioscoop is een plek voor echte filosofie en The Matrix draait de kunsthater Plato een wijsgerige loer. Of beter gezegd: confronteert hem met zijn eigen tegenspraak. Want is zijn eigen grotmythe eigenlijk niet een literair kunstwerk?

Film is dus niet alleen een illustratie van een wijsgerige theorie, maar ook een aanvulling of een kritiek daarop, zo stellen deze filmfilosofen vast. Door Plato mee te nemen naar de bioscoop, breng je hem op zijn eigen terrein in verlegenheid en komt de discussie opnieuw op gang. Geen wonder dus dat The Matrix zo geliefd was bij de filosofische filmvoorstellingen die de afgelopen jaren ook aan de Nederlandse universiteiten populair geworden zijn. Films torsen heel wat verborgen ideeën over moraal, wereldbeschouwing, politiek en metafysica met zich mee. Ook in de populaire genres hoef je maar even met je nagel over het entertainmentoppervlak te krassen om dat zichtbaar te maken.

Zo roept de sciencefictionfilm Minority Report onmiddellijk de vraag op of het menselijk handelen vooraf gedetermineerd is en dus of er wel zoiets als een vrije wil bestaat. De actiefilm Mad Max, over een wereld na een nucleaire catastrofe waarin alleen nog de wet van de sterkste geldt, laat zien wat een samenleving is door het tegenovergestelde ervan te tonen. Hitchcocks Psycho sleept een hele psychoanalytische theorie met zich mee en Bertolucci’s Il conformista (waarin Plato’s grot opnieuw een grote rol speelt) vertelt niet alleen een verhaal over het fascisme, maar behelst ook een filosofische verhandeling over zijn en schijn.

Die laatste voorbeelden zijn genomen uit de bundel Denkbeelden, het tot nu toe belangrijkste Nederlandstalige boek over de filosofische betekenis van film, met analyses die reiken van Kurosawa’s Rashômon tot Polanski’s The Pianist en van Wienes Das Cabinet des Dr Caligari tot Kubricks A Clockwork Orange en Wolfgang Beckers Good-bye Lenin.

Hoe vrij ben ik? Wanneer ben ik mijzelf? Hoe moeten we samenleven? Wat kan ik kennen? En heeft de dood het laatste woord? Dat zijn enkele van de vragen die de filosofen in Denkbeelden proberen te beantwoorden. Wat zij niet nastreven, is een theorie van de film als medium zelf. Op dat gebied is het sinds de monumentale dubbelstudie van Gilles Deleuze L’image-mouvement/L’image-temps uit de jaren tachtig opmerkelijk stil gebleven – op de onlangs vertaalde essaybundel De fabel van de cinema van Jacques Rancière na.

Filosoferen door of met film gaat uit van het verhaal dat op het witte doek verteld wordt en de dialogen die zich daarin ontrollen. Daarin wordt wat abstracte filosofie concreet en zichtbaar. Met een personage dat, zoals in Tim Burtons film Big Fish, weigert nog langer te geloven in de verhalen die zijn fantasierijke vader opdist, identificeren we ons niet alleen direct, maar ontdekken we ook bijna instinctief wat existentialisten bedoelen wanneer ze zeggen dat „de mens in waarheid wil leven”.

Maar films doen nog iets meer dan ons abstracte theorieën in concrete personages voor ogen toveren, zo merkt de Leuvense filosoof Herman De Dijn in Denkbeelden op. Moraal, zo stelt hij naar aanleiding van Woody Allens film Crimes and Misdemeanors vast, is niet alleen een kwestie van redeneren, het is meer nog een kwestie van zien. Wat wel en niet mag, wat goed is en verwerpelijk, valt nooit tot in detail rationeel af te leiden uit algemene principes.

Als het erop aankomt, speelt de concrete situatie altijd een hartig woordje mee. Daarin kom je met generalisaties nooit ver genoeg. Het oog moet eraan te pas komen om, als een soort moreel zintuig, te zien wat hier en nu de juiste keuze is. Meer nog dan de romanliteratuur, al langer leverancier van filosofische casestudies, is de film daarbij in zijn element. Want dat het in de bioscoop op kijken aankomt, kon zelfs Plato in zijn allegorie al niet ontkennen.