Prestatiegeld basisschool

Basisscholen worden voortaan afgerekend op hun prestaties. Als de kwaliteit onvoldoende verbetert, kunnen zij minder subsidie krijgen. Dat is de kern van het akkoord dat de 7.500 basisscholen, verenigd in de PO-raad, en minister Van Bijsterveldt (Onderwijs, CDA) gisteren hebben ondertekend.

Met de overeenkomst is een bedrag gemoeid van ruim 600 miljoen euro, verdeeld over vier jaar (2012-2015). Dat geld was in het regeerakkoord al gereserveerd voor verbetering van het primair onderwijs. Maar scholen mogen voortaan grotendeels zelf bepalen hoe zij deze subsidie besteden: bijvoorbeeld aan het tegengaan van taal- en rekenachterstanden of aan bijscholing van het eigen personeel. „De minister biedt ruimte en vertrouwen, maar wil wel waar voor haar geld”, zegt haar woordvoerder. Soortgelijke ‘prestatieafspraken’ maakten Van Bijsterveldt en haar staatssecretaris Zijlstra (VVD) eerder met het hoger en, vorige maand nog, met het voortgezet onderwijs.

Een van de afspraken betreft vermindering van het aantal zeer zwakke basisscholen, van 57 (nu) naar 35 (in 2015). Als dat doel niet wordt gehaald, hoeft de rijkssubsidie niet te worden terugbetaald. Maar het ministerie behoudt zich in dat geval wel het recht voor om de afspraken aan te passen.

Scholen zijn overwegend positief over de nu afgekondigde, resultaatgerichte aanpak. Zij worden niet langer gedwongen om uniform te werken. Al jaren bepleiten schoolbestuurders dat een school in een achterstandswijk andere keuzes mag maken dan een school in een welgestelde buurt.