Kan je een orgaan zomaar missen?

Hoe reageert het lichaam op de verwijdering van een orgaan, vroeg Annelot van Amerongen uit Den Haag aan haar biologiedocent. Verschuiven andere organen? Of vullen chirurgen dat gat op één of andere manier op?

Er zijn in Nederland twee organen die je bij leven kunt doneren: de nier en een deel van de lever. Je kunt deze organen, maar ook bijvoorbeeld een tumor, weghalen zonder dat er een holte achterblijft, zegt Robert Porte, expert in levertransplantaties van het UMC in Groningen: „Het lichaam is heel elastisch en plooibaar, vooral in de buikholte.” Er ontstaat wat littekenweefsel, maar verder schuiven de andere organen naar elkaar toe. De lever groeit zelfs automatisch weer aan. Voor het plaatsen van een gedoneerde nier in het lichaam van de nierpatiënt „duw je alle organen wat opzij”, zegt Porte. Meestal wordt de donornier bij de twee eigen nieren geplaatst. Maar nieren verschrompelen vaak als gevolg van de nierziekte, zegt Andries Hoitsma, hoogleraar orgaantransplantatie en -donatie van het UMC St. Radboud. Een hoop elasticiteit dus.

Dat maakt donatie bij leven zeker geen gunstig alternatief voor donatie door overleden mensen. Volgens Porte is het eigenlijk een zwaktebod: „Donatie bij leven staat haaks op de eed van Hippocrates.” Maar door het grote tekort aan orgaandonoren gebeurt donatie bij leven toch veel. In 2010 werden volgens cijfers van de Nederlandse Transplantatie Stichting 373 nieren gedoneerd door overleden mensen, 473 nieren kwamen van levende mensen. In 2004 vond de eerst leverdonatie bij leven plaats. In 2010 doneerden vijf levende mensen een deel van hun lever, 124 leverdonaties kwamen van overleden mensen. Het mooie van levertransplantatie bij leven is volgens Hoitsma dat de lever niet alleen teruggroeit bij volwassen donors, hij groeit ook mee bij kinderen.

Maar voorlopig blijft het bij deze twee organen. In bijvoorbeeld Japan, zegt Porte, waar een groot tekort aan overleden donoren is, worden ook longdonaties bij leven uitgevoerd. In dat geval ontstaat er wel een holte in de borstkas, omdat deze niet dezelfde elasticiteit als de buik heeft. Het gat wordt enigszins opgevuld door bindweefsel en vocht, maar er blijft een holte bestaan. Bij deze mensen kun je dan ook zien dat de ene kant van de borstkas wat groter is dan de andere.

Rianne Kouwenaar