Gelukkig duurt een mop nooit lang

In een café zit ik met een paar mensen die ik nog niet zo goed ken aan tafel, als er een man aanschuift die tegen een van de jongens naast mij zegt: „Hee, jij kan toch heel erg goed moppen vertellen?” Het is een zin waarvan je hoopt dat hij nooit in je omgeving zal worden uitgesproken.

Allereerst zit er al een subtiele doodssteek in die aankondiging: „Hee, allemaal, dit is Tarik, en Tarik is dus echt ontzéttend grappig, nietwaar, Tarik? Vertel eens over die keer met die dolfijn en die tampon!” Niemand komt zonder kleerscheuren uit zo’n situatie, en Tarik zal de avond ingaan als ‘die jongen die bij nader inzien toch helemaal niet zo grappig was’. Ik heb echt te doen met mensen die op feestjes moeten vertellen dat ze achtergrondzangeres zijn, of Elmo-voice actor, en die niet met rust gelaten worden tot ze een keer – diep zuchtend – ‘Elmo nieuwe schoenen’ hebben gezegd.

Maar in dit geval schuilt het werkelijke gevaar ná de aankondiging: het moppen vertellen zelf. Ik heb een diepgewortelde hekel aan moppen tappen. Dit is geen wrok jegens het feit dat ik zelf zo verschrikkelijk slecht ben in het brengen van een mop – al bevestig ik elk cliché door tijdens het vertellen altijd te verzanden in: „Nou, en toen kwamen die drie Joden bij de hemelpoort, en… Of waren het beren? Nee, wacht, een nazistische beer moest Petrus vervangen, en toen… Hm. Volgens mij heb ik het eind verklapt. Even opnieuw.”

Ook is het niet zo dat het aan de moppen zélf ligt, hoewel ik geen groot fan ben van schunnige doktersbezoekjes en harpijen als schoonmoeders. Nee, mijn hekel aan een openbare moppensessie ligt aan de structuur die een mop vertellen met zich meebrengt. Als het niet je bedoeling is om de verteller eens flink te vernederen, zit er namelijk niets anders op dan na de clou van een mop te lachen. Zo hoort dat nu eenmaal: de moppenverteller eindigt zijn verhaal, kijkt vervolgens vol verwachting en breeduit grijnzend de groep rond en hierop produceert iedereen een soort van lach.

Ik heb geen talent voor die lach. Sommige mensen kunnen na een grap hardop beginnen te bulderen, zo’n moeiteloze schuddebuikende lach die maar door rolt. Ik ben echter vanaf het moment dat de mop van start gaat al aan het nadenken over het geloofwaardige geluid dat ik straks zal moeten voortbrengen. Het maakt niet eens uit of ik de mop oprecht grappig vind of niet: het principe dat er een cue is waarop iedereen tegelijkertijd zou moeten gaan schateren, blokkeert alles. Waardoor ik uiteindelijk eindig met een soort krampachtig glimlachje, alsof er in mijn familie echt ooit een Belg, een Duitser en een Nederlander waren die uit een vliegtuig moesten springen en ik daar nu pijnlijk aan herinnerd word.

De arme jongen aan mijn tafel komt er niet onderuit. Voordat hij begint, stel ik snel voor dat ik wat te drinken ga halen – gelukkig duurt een mop nooit lang.

Renske de Greef