Eerlijk zeggen: wie heeft nog zicht op de crisis?

Ah, kon het maar: een enquête versturen naar de Europese politieke en financiële elite. Naar de centrale bankiers, de toppolitici van de zeventien regeringen van de eurozone én van de oppositie. Naar de hoogste ambtenaren, de raden van bestuur van de banken. Naar de topeconomen in de financiële sector en de universiteiten.

Die enquête zou bestaan uit slechts één vraag. ‘Geef een oprecht antwoord: heeft u het gevoel dat u op dit moment de crisis in haar volledige breedte en diepte nog overziet?’ Slechts twee antwoorden zijn mogelijk: ja of nee. De enquête zou vertrouwelijk zijn en een beroep doen op de eerlijkheid van de respondent. Niet de grootdoenerij van alledag waarop een deel van de loopbaan rust, geen overmatig zelfvertrouwen, geen veronderstelde intellectuele superioriteit. In plaats daarvan contemplatie en ruimte voor twijfel. Zouden de antwoorden van al deze mannen en vrouwen die er toe doen bij de eurocrisis binnenstromen, zouden we dan schrikken van het resultaat?

Wie zo en en toe met de mensen praat die er toe doen, en na een biertje of de derde latte macchiato de bovenstaande vraag stelt – met de garantie van anonimiteit en vertrouwelijkheid, krijgt na enige tijd een antwoord te horen dat akelig in de buurt komt van ‘nee’. Verwonderlijk is dat niet. Grote theorieën zijn er genoeg, en allemaal hebben ze overtuigingskracht – of worden in ieder geval zo gebracht. Maar alleen al de diagnoses zijn veelkoppig. De eurocrisis is een politieke crisis, het is een schuldencrisis, of nee: het is een betalingsbalanscrisis. Dieper nog: het gaat om de relatieve neergang van het oude Europa die met een massale verschuldiging van zowel huishoudens als overheden is gemaskeerd en waarvoor nu de prijs wordt betaald. Of het gaat in wezen om een financiële sector die, net als in de eerste decennia van de twintigste eeuw, met het kapitalisme aan de haal is gegaan.

De diagnoses zijn soms aanvullend, soms ronduit strijdig. Dat er geen consensus over is, maakt dat de bestrijding van de eurocrisis ook niet eenduidig is. Daar bovenop komt een timingprobleem tussen politiek en markt. De laatste wil vandaag een oplossing, maar in een speelveld van zeventien regeringen, hun oppositie, industrie en vakbonden, de nationale en internationale bankenlobby, de Europese Centrale Bank en betrokken buitenstaanders als het Verenigd Koninkrijk en de VS is dat onmogelijk.

Wie bijvoorbeeld het recente oordeel van Standard & Poor’s analyseert, komt terecht bij de constatering dat de bezuinigingen een recessie veroorzaken die de schuldenlast alleen maar groter maken, en bij de eis dat die schuldenlast onmiddellijk moet teruggebracht. Geen wonder dat het bureau uiteindelijk zijn toevlucht neemt tot ‘politieke onzekerheid’ als voornaamste reden voor zijn golf van afwaarderingen. Kort samengevat: S&P baseert zijn oordeel in wezen op een onderbuikgevoel.

Terecht of niet, dit is intellectuele armoede. Dat geldt ook voor de grootste speler, Duitsland. De eis om een schuldenrem in elke nationale grondwet in te bouwen is al even pover. Inderdaad, de kans op een ongeluk neemt zienderogen af als je de auto voor altijd ongebruikt voor de deur laat staan.

In wezen is er een Bretton Woods-achtige conferentie nodig, waar alle deelnemers bij zichzelf op de ‘reset’-knop drukken, en het europrobleem met een schone lei van een diagnose én een oplossing voorzien. Zo ver is het nog niet, maar naarmate de crisis vordert, groeit de noodzaak daartoe. Er zijn agnostici nodig om het geloof in het Europese project nieuw leven in te blazen.

Maarten Schinkel