Hoe religieus te zijn zonder religie

Interessanter dan niet-geloven is: niet-weten. Het biedt een open houding om zelf vragen te stellen, kan leiden tot innerlijke vrede. Jan Oegema schreef hierover een boek. Marjoleine de Vos laat zich inspireren.

‘Fascinerend hoe gedichten kunnen werken, hoe literatuur kan werken. Soms heeft een enkel beeld meer kracht van bewijs dan een met bewijsplaatsen overladen betoog”, schrijft Jan Oegema in zijn boek De stille stem. Hij heeft gelijk, dat is fascinerend en het is ook precies waarom kunst, muziek, literatuur, poëzie voor veel mensen belangrijk is. Omdat er iets in wordt uitgedrukt dat niet op een andere manier uit te drukken valt. Al is ‘kracht van bewijs’ wel wat sterk gezegd – een gedicht heeft zelden kracht van bewijs.

Welk betoog wil Oegema dan houden in zijn boek? Juist iets waarvoor hij moeilijk woorden kan vinden, waarvoor maar moeilijk woorden te vinden zijn. Als je het toch zou moeten samenvatten, zou ik dit zeggen: Oegema is, als zovelen, op zoek naar iets wat misschien het best te omschreven valt als ‘innerlijke vrede’. Vanuit die innerlijke vrede zou hij willen leven, en hij heeft die niet van nature.

Volg die weg niet

Nu zijn er talloze wijsheidsleren, religieuze overtuigingen en kerkelijke tradities die heel goed weten hoe je daaraan moet komen, aan die vrede. Volg onze weg!, zeggen ze, dan zul je er komen.

Maar Oegema wil die weg niet volgen. Dat wil zeggen: hij wil misschien de weg wel een eindje volgen, maar hij wil niet aankomen op de plek waar een leer of overtuiging je heenleidt. Niet bij een antwoord, een oplossing, een dogma. Want hij gelooft niet in die antwoorden. Het brengt hem niets om te zeggen: ik ben boeddhist, of ik geloof in de verlossing die Christus ons heeft gebracht. Uiteindelijk gelooft hij helemaal niet dat er maar één antwoord is. Hij wil een open houding bewaren.

Zoals Oegema zijn er velen en Oegema zelf denkt, nee, wéét dat ook. Vandaar zijn boek, dat min of meer een verslag is van zijn zoektocht naar de juiste weg om aan te komen op het punt waar hij zo graag zou willen zijn.

Daarvoor heeft hij van alles gedaan, want hij is een serieuze zoeker. Het is een vervelend woord: ‘zoeker’, of ‘zoekende’. Oegema gebruikt liever ‘niet-weten’ en uiteindelijk ook voorzichtig ‘agnost’. Voorzichtig omdat dat woord al weer zo beladen met betekenis is. Voor veel mensen betekent het vooral: ik weet niet of God bestaat. Maar hier wordt het ruimer bedoeld. Met instemming citeert Oegema de zen-boeddhist Nico Tydeman, die schreef: ‘Ik ben een religieus mens, niet omdat ik behoor tot een bepaalde religieuze traditie, maar omdat ik weet dat ik niet weet.’

Zo’n soort agnost erkent de vragen die hij heeft over het leven, over de mens, over zichzelf, en is geïnteresseerd in alle deelantwoorden en verkenningen en onderzoekingen die bij die vragen horen. Niet kritiekloos natuurlijk. De Oegema-achtige agnost zie ik niet meteen met geurkaarsen en een eigen wichelroede in de weer, maar hij of zij doet niet lacherig over serieuze pogingen die mensen ondernemen om tot meer kennis of inzicht te komen. Zolang mensen maar niet ineens gaan beweren dat ze het allemaal weten.

Zes jaar geleden verzon Oegema, in een artikel in Trouw, een andere naam voor zulke zoekende mensen: ‘solo-religieuzen’. Dat gaf zeker iets aan van wat hij bedoelde, namelijk mensen die zich niet wilden of konden aansluiten bij enige bestaande religie. Maar die betiteling wekte, schrijft hij nu, de verkeerde indruk dat het om mensen zou gaan die alleen voor zichzelf en ten gerieve van hun eigen heil antwoorden zochten. Egoïsten, om het maar kort te zeggen. En zo was het niet bedoeld.

Wat voor tocht onderneemt iemand die op zoek is naar innerlijke vrede? Die gaat lezen en zoekt steun in poëzie, in beschouwingen, in geschriften van mensen die op een open manier wèl in een religieuze traditie staan. De geschriften van degenen die vast geloven in hun eigen antwoorden helpen niet zo veel. Wel de regels van iemand die een gedicht schrijft over zijn grootvader die niet geloofde dat mensen op de maan konden wandelen, maar die als kind een keer een engel had zien vallen toen hij zijn strikken inspecteerde.

‘Hij had haar gekalmeerd en verteld dat/ een van zijn eenden het vliegen/ ook was verleerd’, schrijft Wim Brands, de dichter in kwestie. Hij vervolgt door de grootvader tegen zijn kleinzoon, die niets van die engel gelooft natuurlijk en die zeker weet dat er mensen op de maan zijn geweest, te laten zeggen ‘dat ik te jong was// om het verschil te begrijpen tussen/ vruchteloos opstijgen en/ noodgedwongen// afdalen.’

Een heel goed gedicht, met een mooi slot. Vat het maar eens samen en vertel het maar eens na. Dat kan niet. Maar die slotregels, als je er de vallende engeleend en de ruimtevaart bij in gedachten houdt – die zijn een zinvol onderdeeltje van de bagage van de niet-weter.

De niet-weter doet meer dan alleen lezen. Oefeningen ook. Meditatie-oefeningen, stilte zoeken, bijeenkomsten bijwonen, retraites houden. Zich verdiepen in andere dan de eigen religieuze tradities. En dat valt niet altijd mee. Soms, schrijft Oegema eerlijk, zit je daar te mediteren op je kussentje in die zo vaak geroemde en belangrijk geachte stilte (je zou bijna schrijven Stilte, zo plechtig en enorm belangrijk is dat begrip) en dan gebeurt er helemaal niets. Pijn in je knieën, verveling.

Eigenlijk krijg je de indruk dat er heel vaak helemaal niets gebeurt. Dat je wel veel grote en vaak niet weinig vage woorden kunt gebruiken, frases als ‘het grote mededogen’, ‘hoop’, ‘gerekend worden tot de beminden’, maar dat die uiteindelijk heus niet een stralende waarheid gaan openbaren.

Muziek die is groots zegt

Misschien dat de niet-weter soms even denkt dat hij die woorden begrijpt. Zoals muziek je iets heel groots zegt, zolang je ernaar luistert. Maar daarna kan ze niet als handig hulpmiddel gebruikt worden, hoewel ze wel, op een onuitlegbare manier, bij je kan blijven, en gaan horen tot datgene van waaruit je leeft.

Er is misschien helemaal geen spirituele weg naar innerlijke vrede. Er is alleen maar innerlijke vrede en er is een weg. Maar die twee komen niet noodzakelijkerwijs samen op een punt waar de toestand ineens stabiel wordt en de niet-weter vrede heeft met zijn vragen en onvolkomenheden.

Zoiets lijkt Oegema ook te concluderen waar hij schrijft: ‘Ik meende dat alle niet-weten uiteindelijk ten dienste staat van weten, alle wachten vooruitloopt op verwerven, alle stilte gericht is op vervulling, alle mediteren in het teken staat van verhoopte verlichting.’

Dat blijkt niet zo te zijn. Er is alleen maar wachten en stilte en mediteren, en vaak leiden die tot niets. Maar dan hebben ze de hardnekkig zoekende niet-weter tóch iets opgeleverd. Zoiets als een gedicht.

De stille stem, Niet-weten als levenshouding, Jan Oegema, Nieuw Amsterdam (2011)