Fatale liefde op werkvloer

Deze rubriek belicht elke dinsdag kwesties uit het bedrijfsleven waarover de rechter zich onlangs uitsprak. Vandaag: relaties van een orgelbouwer en een politieambtenaar.

Wat hebben werken bij een orgelbouwer en bij een politiekorps met elkaar gemeen?

De liefde kan je je baan kosten, omdat het bedrijf zoiets er echt niet bij kan hebben. Liefde blijkt geen mensenrecht waar de werkgever eerbiedig ruimte voor moet maken.

Eind december keurde de rechtbank Haarlem het ontslag goed van een orgelbouwer die een relatie had met de vrouw van de chef van de onderhoudsafdeling. Het vonnis is min of meer anoniem. Werkgever ‘A’ is gevestigd in Zaanstad, waar het aantal orgelbouwers niet dik is gezaaid. De website van de enige orgelbouwer aldaar brengt alle zevenentwintig personeelsleden keurig in beeld. De intonateur, pijpenmaker, orgelmaker, houtbewerker, tongwerkmaker en stemmer met directie.

De rechter vond met de directeur dat die werkvloer te krap is om zo’n relatie te incasseren. Samenwerking is er niet te omzeilen, waardoor een onwerkbare situatie zou ontstaan. Een vertrouwensbreuk was aannemelijk. Gezien „het specialistische werk dat de medewerkers in een klein team en in nauwe samenwerking met elkaar uitvoeren, is een goede onderlinge verhouding van essentieel belang”. Dus moest de medewerker zijn ontslag accepteren.

Diens argument dat liefde altijd een privézaak is, wordt niet erkend. De werkgever heeft de ruimte zich daarmee te bemoeien „als de persoonlijke omstandigheden van de werknemer een goede uitvoering van het dienstverband ernstig (dreigen) te schaden terwijl er in redelijkheid geen andere oplossingen” zijn. Denk aan overplaatsing waardoor men uit zicht blijft.

De Centrale Raad van Beroep was een maandje eerder iets royaler met de erkenning van de liefde. Deze hoogste rechter in ambtenarenzaken zei in een subtiel arrest dat voor een politieambtenaar louter verliefd zijn op een crimineel misschien wel een reden voor ontslag is, maar nog geen dringende.

Hier ging het om een parttime administratief medewerker met toegang tot vertrouwelijke stukken, onder meer van de districtsrecherche. Als haar chef ontdekt dat ze een criminele vriend heeft, roept hij haar ter verantwoording. Ze krijgt de keus tussen het beëindigen van de relatie of de dienst verlaten. Ze kiest voor haar vriend, waarna het korps een formeel onderzoek begint. Er zou een redelijk vermoeden van ernstig plichtsverzuim zijn, „in de sfeer van integriteit”. Er wordt vastgesteld dat ze voor privégebruik informatie in de bedrijfssystemen van de politie raadpleegde. Ontslag op staande voet volgt. Ze tekent bezwaar aan en vraagt om WW. Die wordt geweigerd, omdat ze door eigen schuld werkloos zou zijn.

Voor de rechtbank voert ze aan dat het ontslag een inbreuk is op haar recht op een familie- of gezinsleven. Ofwel, liefde is een mensenrecht, dat de overheid niet mag inperken met een ontslag. De rechtbank verwerpt dat bezwaar. Maar in hoger beroep haalt ze dus toch een puntje binnen.

De Centrale Raad van Beroep vindt ook dat zo’n relatie op de werkvloer voor een politiekorps risico’s inhoudt. Maar als je iemand ‘onverwijld’ ontslaat om een ‘dringende reden’, moet dat ook wel blijken uit de manier waarop je het ontslag aanpakt. En deze medewerker kreeg redelijk royaal de tijd na te denken en keuzes te maken. Daaruit bleek geen urgentie. Het korps vond de relatie zelf het probleem. Niet het feit dat ze die relatie niet had gemeld. Misschien was er wel een goede reden om haar te ontslaan, alleen geen dringende.

Verliefd zijn kan niemand worden verweten. Dus mag een voorschot op een WW-uitkering niet worden geweigerd. En het korps moet het ontslagbesluit opnieuw onderbouwen.

Folkert Jensma