Een poolreiziger zeurt niet

Bernice Notenboom (49) is beroepsavonturier en poolreiziger met een missie. Onlangs keerde ze terug uit Antarctica. ‘In de wildernis zie je een andere kant van jezelf.’

De koudste plek op aarde is de Koude Pool in Siberië. Bernice Notenboom reisde er een maand lang doorheen. Op ski’s. In de winter. Omdat ze wilde ervaren hoe koud vijftig graden onder nul is. Ze heeft het geweten: felle kou maakt je extreem moe en dus lag ze de eerste dagen als verlamd in haar tent, zich af te vragen waar ze aan was begonnen. Maar ze ging toch verder. „Wilskracht”, zegt ze. „Als je dit doet, moet je ook niet zeuren.”

Notenboom is beroepsavonturier en poolreiziger. Ze maakte expedities naar de Noordpool en de Groenlandse ijskap, was de eerste Nederlandse vrouw die de Zuidpool bereikte en de tweede die bovenop Mount Everest stond. Eerder dit jaar verruilde ze bittere kou voor bloedhitte en voer ze met een kajak de rivier de Niger af. Nu is ze net terug van een expeditie naar Antarctica, waar ze het spoor volgde van de mislukte expeditie van de Britse poolreiziger Ernest Shackleton uit 1914.

Haar expedities zijn geen uit de hand gelopen liefhebberij. Notenboom is een vrouw met een missie. Op haar reizen brengt ze de gevolgen van klimaatverandering in kaart om daarvan zoveel mogelijk mensen bewust te maken, via lezingen, blogs, artikelen en films. Vandaar die plastic ijsbeer, boomkikker en orka op haar koffietafel – alle drie bedreigd door de klimaatverandering. „Die herinneren mij eraan waarom ik dit doe.”

Hoe komt een mens erbij poolreiziger te worden?

„Ooit maakte ik carrière als marketeer bij Microsoft in Amerika. Ik werkte tachtig uur per week. Die wereld inspireerde mij totaal niet. Het eerste wat ze daar van je afpakken, is je creativiteit. Ik heb ruimte nodig, fysiek en geestelijk. Hier in Nederland word ik gek van dat benauwde, dat met zijn allen op een kluitje zitten en alleen maar op jezelf gericht zijn.

Als kind droomde ik al van de bergen. Ik hield ervan de natuur in te trekken, want in de wildernis zie je een andere kant van jezelf. Nadat ik ontslag had genomen bij Microsoft organiseerde ik raftingtochten door het Grand Canyon en daar had ik veel succes mee. Na tien jaar verkocht ik dat bedrijf en ging reisreportages maken voor de New York Times en National Geographic Traveller. Van National Geographic mocht ik in 2007 op expeditie naar de Noordpool. Dat was het jaar dat het ijs daar voor het eerst extreem dun was. De Groenlanders moesten hun sledehonden afmaken omdat de robben, het hondenvoer, wegbleven. Ik zag de breuken in het ijs en realiseerde me dat de opwarming van de aarde veel sneller gaat dan we denken. Dat heeft mijn leven een wending gegeven.”

Hoe ging dat?

„Ik kwam terug van de Noordpool en had last van zeebenen, het is dan net alsof je dronken bent. Ik lag in mijn bed en zag mijn bed op een ijsschots staan en die ijsschots tolde in het rond. Opeens wist ik het: dit is mijn missie. Ik ga onderzoeken hoe snel het ijs smelt op verschillende plekken in de wereld, wat daarvan de gevolgen zijn en daarvoor ga ik aandacht vragen. In vijftien maanden tijd heb ik vier expedities op touw gezet: naar Siberië, de Noordpool, de Zuidpool en Groenland. De klimaatverandering is geen populaire boodschap. Mensen zeggen: we weten het nu wel. Maar als ik uitleg dat het veel sneller gaat dan we tot nu toe dachten, luisteren ze toch weer.”

Hoe bereid je je voor op zo’n lexpeditie?

„Veel sporten en veel buiten zijn. Ik woon een deel van het jaar in Canada, waar ik met dertig graden onder nul ga skiën. Dat is pittig, maar ik ga echt niet de hele winter thuis zitten omdat het buiten koud is. Ik weet dus goed wat afzien is. Verder kun je je kleden op de kou en moet je geen domme dingen doen, zoals je handschoenen uittrekken, want dan bevriezen je vingers onmiddellijk. Je moet heel secuur zijn, want kleine fouten kunnen grote gevolgen hebben. Als je thee morst over je donzen slaapzak krijg je hem nooit meer droog. En als je je tent niet goed vastzet en de poolwind blaast hem over de ijskap krijg je hem nooit meer terug. Je leeft onder een vergrootglas en dat is vermoeiend. Maar het is op een andere manier vermoeiend dan het gestresste leven van een alleenstaande werkende moeder met drie kinderen. Dat zou ik dan weer niet aankunnen.”

Wat is het mooie van zo’n expeditie?

„Het is de meeste pure, naakte manier van zijn, die heel dichtbij de manier van leven van een dier komt. Het gaat alleen om essentiële vragen: heb ik nog genoeg te eten, ben ik nog warm, ben ik niet te moe, ben ik veilig? De verjaardag van je schoonmoeder en de aflossing van je hypotheek bestaan niet meer. Een poolexpeditie is als lopen in een glas melk. Alles is wit en er is niets in je omgeving dat je inspireert. Je hebt 1.500 uur om na te denken. Waar vind je die luxe? Het is de ultieme meditatie. Alleen moet je niet in echtscheiding liggen, of andere ernstige problemen aan je hoofd hebben. Dan draai je door.”

Wat doet u op momenten dat het echt tegenzit?

„Nog even dieper in mezelf graven om te kijken of ik iets kan vinden waarop ik verder kan. Bij de expeditie naar de Zuidpool kreeg ik een infectie aan mijn bronchiën. De expeditiedokter zei dat ik de reis mogelijk niet zou kunnen afmaken. Dat hakt er in, hoor, als je dat te horen krijgt nadat je vijftig dagen onder barre omstandigheden aan een slee hebt gesleurd. Op zo’n moment kijk ik naar wat ik wèl heb gepresteerd. Dat ik 950 kilometer heb geskied en dat ik duizend foto’s heb gemaakt. Daaruit haal ik dan weer energie. Je moet in staat zijn puur in het moment te leven en je doelen los te laten. Toen ik Mount Everest beklom, zei ik tegen mezelf: de top halen is bijzaak. Belangrijk is dat ik een mooie film maak over de klimaatverandering op grote hoogte.”

Is er in het leven van een beroepsavonturier nog plaats voor romantiek?

„Mijn vriend is berggids. We hebben een relatie op afstand: ik woon in Canada en Nederland, hij in Oostenrijk. Onlangs zagen we elkaar op de kade van een Argentijnse havenstad. Hij kwam terug van een expeditie en ik vertrok naar Antarctica. We hadden drie uurtjes samen. Soms mis ik hem, bijvoorbeeld als ik iets te vieren heb. Maar verder ben ik het gewend alleen te zijn. Ik vind het wel prettig niet altijd iemand om me heen te hebben.

Op Mount Everest verkeerde u in levensgevaar, doordat u in een lawine terechtkwam. Ben je ooit bang?

„Jawel. Voor ijsberen. Die komen gewoon op je af, want die zien je als een prooi. Daarom moet je een geweer meenemen. Als het echt gevaarlijk wordt, moet je ze neerschieten. Dat mag niet, want ze zijn beschermd en daarom probeer je ze eerst weg te jagen.

„Tijdens mijn tocht over de Niger had ik het ook niet zo op de nijlpaarden. Ze zijn gevaarlijker dan krokodillen, ze kunnen je gewoon vermorzelen en je weet nooit wanneer ze aanvallen. Verder houd ik me niet bezig met wat me allemaal kan overkomen. Mijn ultieme nachtmerrie is de stijging van de zeespiegel en niet ondersteboven hangen in een gletsjerspleet. Dat wij mensen iets aan de klimaatverandering kunnen doen, maar toch geen actie ondernemen: dat vind ik pas echt griezelig.”