Cultuur

Interview

Interview

‘Indonesië heeft zijn eigen familie verloochend’

Ronald Tan (85) en zijn Chinees-Indische ouders vertrokken vier jaar na de soevereiniteitsoverdracht naar Nederland. De houding van Indonesiërs jegens de Indische Nederlanders werd te hard. „Mijn moeder werd gebrutaliseerd.”

‘Ik heb geen haat tegenover Indonesiërs, maar door het leed dat na de onafhankelijkheid van Indonesië is veroorzaakt, ben ik zwaar teleurgesteld geraakt.” In een verzorgingsflat in Purmerend kijkt Ronald Tan (85) terug op zijn leven. Aan de muur boven zijn stoel hangt een portret van zijn zus, die in 2002 aan kanker is overleden, net als zijn moeder enige jaren daarvoor. Tegenover hem hangen foto’s van zijn ouders, grootouders en overgrootvader. De Tan-familie gaat ver terug, vertelt Ronald Tan. Zijn verre voorouders werkten voor Koeblai Khan, de eerste keizer van de Yuan-dynastie in China, ze bleven eeuwen aan het hof verbonden. Het was Tans overgrootvader die uiteindelijk uit China vertrok en terechtkwam in Nederlands-Indië. Ronald Tan zelf vertrok later, in 1954, met zijn ouders naar Nederland.

„Mijn overgrootvader was nog een echte Chinees. Hij ging handel drijven in Surabaya.” Tan wijst naar een foto van een man in oosterse kledij, en naar een foto waarop zijn vader in westers pak ernstig de camera in kijkt. „Mijn grootvader was al bezig te vereuropesen. Dat kwam door mijn oma. Zij werd door de Nederlandse resident [een bestuurder in de kolonie, red.] ontvangen en hij adviseerde haar: ‘Voed uw kinderen Nederlands op, dat zal ze later ten goede komen’. Mijn oma deed haar drie zoons daarna op Nederlandse scholen in Surabaya.”

Bent u blij met die keuze?

„Het zal toen logisch zijn geweest, maar ik vind het jammer. Ik spreek geen woord Chinees, ben naar een Nederlandse lagere en middelbare school gegaan.

„Mijn oma vond dat al haar zoons met Nederlandse vrouwen moesten trouwen. Mijn vader week af, hij trouwde met een Indische. Haar vader was een Zeeuw, haar moeder Javaanse. Ze werd weliswaar als Nederlandse beschouwd. In november 1954 vertrokken wij naar Nederland. Ik vierde mijn 22ste verjaardag aan boord van het schip de Johan van Oldebarneveld. Die reis duurde een maand.”

Waarom vertrok uw familie naar Nederland?

„Het begon toen de Japanners Nederlands-Indië binnenvielen in 1941. Ik kende de Japanners voor en tijdens de oorlog. Er waren in Surabaya veel Japanse winkels, ze hadden een soort warenhuizen. De Japanners waren erg beleefd. De betrekkingen tussen Nederlands-Indië en Japan waren tot de oorlog goed. Mijn vader werkte bij de Koninklijke Pakketvaart Maatschappij. Die had een zustermaatschappij, de Koninklijke Java-China-Japan lijn. Er was veel handelsverkeer tussen de landen. Maar toen Nederland de oorlog verklaarde aan Japan, veranderden de betrekkingen.”

Wat gebeurde er met u en uw familie?

„Mijn vader was Chinees, mijn moeder Indisch, dus de eerste jaren waren vrij normaal. China was weliswaar ook aangevallen door Japan, maar de Japanners hadden respect voor de Chinese samenleving in Nederlandse-Indië. De Japanse bezetter was wel wreed tegenover alles wat uit Europa kwam.

„De grote fout die Nederland toen heeft gemaakt, is dat het in 1942 de Indonesische bevolking geen onafhankelijkheid voor binnenlands bestuur gaf. Er waren heel veel Indonesiërs opgeleid voor dat bestuur, bij de KNIL zaten veel Indische en Indonesische militairen die trouw bleven aan de Nederlanders en niet de kant van de Japanners kozen. Nederland had bij die oorlogsverklaring moeten zeggen: jullie krijgen onafhankelijk binnenlands bestuur, bescherm in ruil daarvoor de Nederlandse inwoners in Indonesië tegen de Japanners. Dat is niet gebeurd en dat is tragisch. Het had de houding van veel Indonesiërs beïnvloed.”

Uw moeder werd als Nederlandse gezien, zei u. Was zij niet bang?

„Nee, de Japanners dachten dat de Indische mensen Japan zouden steunen. Dat is niet gebeurd, op een uitzondering na. Indische Nederlanders werden niet geïnterneerd. Nederlandse officieren werden wel in krijgsgevangenschap genomen. En de Nederlandse burgers werden achter prikkeldraad gezet. De Indische mensen vroegen zich wel af: wanneer zijn wij aan de beurt? Maar zij kregen het pas moeilijk toen Soekarno aan de macht kwam, na de soevereiniteitsoverdracht.”

Waren u en uw ouders bang tijdens de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd?

„Eerst niet, maar toen Soekarno verklaarde ‘alle Nederlanders eruit’, merkte ik een omslag. De houding van de Indonesiër tegenover de Indische landgenoten veranderde. Mijn moeder werd gebrutaliseerd. Indische mensen werden gezien als koloniale overheersers, ze mochten niets meer zeggen. Op straat werd tegen haar gezegd: jij kan beter je mond houden, anders gebeurt er wat. We wisten wat dat betekende: in de rivier Kali Mas die dwars door Surabaya stroomt, zag je Nederlandse lijken drijven.”

Lees ook: Weg uit Indië was weg uit het paradijs. En nog steeds kijkt men daar graag op terug. Maar doen ‘Indo’-schrijvers dat ook als zodanig?

Ontstond er toen bij u een loyaliteitsconflict ?

„Ja. Ik voelde me absoluut verwant met de Indonesiër, was voor de onafhankelijkheid en begreep überhaupt niet waarom die er nog niet was, als je keek naar hoe het gelopen was op de Filippijnen en in India bijvoorbeeld. Aan de andere kant was ik teleurgesteld dat de Indonesiër de mensen die half-Indonesisch waren niet meer als familie beschouwde. Ik raakte toen teleurgesteld in de houding van de Indonesiërs en ik ben teleurgesteld gebleven. Vaak zeiden ze tegen me: waarom ga je niet terug, op vakantie naar Indonesië? Mijn zuster, zei dat ook: de nieuwe generatie is anders dan de naoorlogse: ze zijn vriendelijk geworden. Maar van mij hoeft het niet meer.”

Was die houding ook de reden dat uw ouders vertrokken?

„Mijn vader ging vooral om economische redenen naar Nederland. Hij kon kiezen tussen een Indonesisch pensioen of een Nederlands pensioen. Het Indonesische was veel hoger dan het Nederlandse (250 gulden), maar hij koos toch voor het laatste. Hij wist wat het Nederlandse geld betekende, hield van vastigheid en dus vertrokken we naar Nederland. Dat is een typisch Chinese houding: zoek vastigheid op financieel gebied, dan red je het wel.”

Was u verdrietig toen u Indonesië achterliet?

„Nee, ik was te Nederlands opgeleid, was twee keer voor mijn eindexamen gezakt en kon in Nederland weer proberen die te halen. Maar vooral: de houding tegenover Indische Nederlanders was te hard.”

Hoe was de houding van de Nederlanders toen u aankwam?

„De burgers waren uiterst hartelijk, de overheid niet. Je moest je melden bij het Bureau Maatschappelijke Zorg. Via dat bureau kon je Nederlandse kleding en meubilair krijgen. Toen werd direct gezegd: je mag niets zelf uitkiezen, je moet kopen wat je wordt aangeraden en je moet alles terugbetalen.

„Mijn vader kreeg een voorschot van 3.000 gulden, dat heeft hij tot op de laatste cent moeten terugbetalen. Het werd ingehouden van zijn pensioen. Er was ook wel discriminatie, zoals die nu gevoeld wordt door asielzoekers: we kregen een woning toegewezen, terwijl veel nog was verwoest [door de oorlog in Nederland, red.]. Mensen waren daar boos over, ze zeiden: moet je zien, die Indische mensen krijgen meteen een huis, en wij hebben niets.

„De overheid is tekortgeschoten, die had de Nederlanders beter moeten voorlichten en moeten uitleggen dat wij Indische mensen gevlucht waren omdat we niet meer welkom waren in ons eigen land. Wij kwamen tijdelijk te wonen in Bennebroek, later kregen mijn ouders iets toegewezen in Haarlem.”

Hoe was het om in Nederland naar school te gaan?

„De klasgenoten deden heel normaal, ze zagen me niet als een vreemdeling maar als een gekleurde Nederlander. Mijn klasgenoten kwamen uit gegoede families, die hadden meer begrip en ze kwamen zelf niets tekort.

„Toen ik ging solliciteren, kreeg ik vaak te horen: wat spreek je goed Nederlands, terwijl dat gewoon de taal was waarin ik was opgevoed. Ik heb me in Nederland niet ontheemd gevoeld, alleen vind ik wel dat de Nederlander vaak cru is, hard.”

Hoe kijkt u terug op uw jeugd in Indonesië?

„Ik vind het nog steeds niet prettig om terug te denken aan Indonesië. De verloochening van wat ook hun bloed is geweest, grijpt me nog steeds erg aan. Dat ze ons Indische mensen eruit hebben gejaagd, vind ik ongelofelijk.

„Mijn moeder had daar ook veel last van. Ze sprak nota bene gewoon Javaans. Dat klinkt misschien haatdragend, maar zo bedoel ik het niet. Het is eigenlijk een historische vergissing: Nederland had Indonesië tijdig binnenlandse onafhankelijkheid moeten verlenen, dan was het allemaal niet zo gelopen en was veel leed voorkomen.”

Correctie (15 januari 2018): bij een eerdere versie van dit stuk stond in de inleiding dat de familie Tan noodgedwongen naar Nederland vluchtte tijdens de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog. Dat is onjuist: de familie vertrok in 1954, vier jaar nadat Indonesië onafhankelijk was geworden. Ook stond in de eerdere versie dat er de eerste twee jaren van de oorlog weinig gebeurde in Nederlands-Indië. Bedoeld werd de jaren 1940 tot 1942. Na de Japanse bezetting van Nederlands-Indië, vanaf maart 1942 gebeurde er daar veel. In de eerdere versie stond ten onrechte: “Pas later werden de Nederlandse burgers achter prikkeldraad gezet.” Dat gebeurde snel nadat Japan de kolonie had bezet.