Amos Lee is een brave knuffelbeer

Amos Lee. 16/1 Paradiso Amsterdam. Herhaling 17/1 (uitverkocht). **

„My heart is a flower / it grows every hour / I believe in the power / of love.” Een singer-songwriter die zich met een dergelijk staaltje keukenmeidenromantiek bij de Grote Prijs van Nederland meldt, zou al in de voorronde worden weggehoond. Maar de Amerikaanse zanger Amos Lee kwam ermee weg, op zijn laatste album Mission Bell dat net als de drie voorgaande op het fameuze jazzlabel Blue Note verscheen.

Bij zijn debuut in 2005 werd Amos Lee naar voren geschoven als een ‘mannelijke Norah Jones’, dankzij de jazzy groove in zijn muziek, die gebruikmaakt van vertrouwde patronen uit blues en soul. Authenticiteit is een groot goed voor een artiest in die sector, en Lee verzekerde zich daarvan door zich op Mission Bell te omringen door de muzikanten van Calexico – die er helaas niet bij zijn.

Met zijn gruizige stem heeft hij soms iets weg van James Taylor, dan weer van Tony Joe White. Stemmen en stijlen kan hij met gemak invullen, zonder uitgesproken persoonlijkheid van zichzelf. Hij is de vriendelijke krullenbol in hemdsmouwen, die zo gevoelig kan zingen over zijn alsmaar groeiende hart.

Het was allemaal van een verregaande braafheid in Paradiso, waar de zalvende pedal steelgitaar boven de verveeld kabbelende ritmesectie uit jengelde. Amos Lee is de stem van de middelmatigheid; een knuffelbeer die met zijn weldadig gebrom nooit eens iemand aan het schrikken zal maken.