Academici versus bioterroristen

Nederlandse virologen maakten een vogelgriepvirus dat dodelijk is voor mensen.

Een commissie in de VS wil deze kennis uit handen houden van schurkenstaten.

De Amerikaanse regering beslist binnenkort of de academische vrijheid – de vrijheid van onderzoeken en publiceren – aan banden wordt gelegd voor onderzoek waarvan het gevaar voor gebruik door bioterroristen en schurkenstaten te groot wordt geacht. De bedoeling is zulk onderzoek niet te beginnen, lopend onderzoek eventueel voortijdig te stoppen of resultaten niet te publiceren. Dat zei Amy Patterson, beleidsdirecteur van de National Institutes of Health, eind vorige week in een interview op de site van Nature. De voorstellen komen „in de vroege lente”.

Dit weekeinde publiceerde Nature online acht korte commentaren, vooral van griepvirusonderzoekers en van bioterrorismedeskundigen. Die commentaren gaan specifiek over het onderzoek waar het allemaal mee begon: virologiehoogleraar Ron Fouchier en zijn groep op het Rotterdamse Erasmus MC veranderden het vogelgriepvirus H5N1 bewust in een virus dat makkelijk (door de lucht, van dier naar dier) zoogdieren besmet en de meeste ook doodt. Waarschijnlijk ook de mens. Een handvol mutaties is cruciaal, vond Fouchier. Japanse onderzoekers maakten ook zo’n virus.

Komt dit virus vrij uit het lab, dan is de volgende influenzapandemie hoogstwaarschijnlijk een feit. Tot nu toe maakte het H5N1-virus dat sinds 2003 onafgebroken in Azië en Afrika rondwaart weinig mensen ziek. Mensen raken alleen besmet na intensief contact met vogels. Maar wie ziek wordt, heeft meer dan 50 procent kans om eraan te sterven. Het virus doodde tot nu toe 340 van 577 mensen die ermee besmet raakten.

In Amerikaanse regeringskringen woedt de discussie nadat half oktober het concept voor Fouchiers Science-publicatie werd voorgelegd aan de Amerikaanse National Science Advisory Board for Biosecurity (NSABB). De publicatie van de Japanse groep lag bij het tijdschrift Nature en ook daar boog de NSABB zich over.

De NSABB verzocht op 30 november de onderzoekers en de tijdschriften om de cruciale mutaties en het virusrecept niet openbaar te maken. Dat was onverwacht en uniek. De afgelopen jaren zijn de detailgegevens over veel levensgevaarlijke virussen gepubliceerd, na beoordeling door de NSABB. De NSABB erkent wel dat kennis over dit besmettelijke H5N1-virus nuttig is, maar alleen mensen met een „legitieme noodzaak om de kennis te bezitten” moeten de gegevens krijgen. Hoe informatie zo geheim moet blijven is onduidelijk.

Of onwenselijk. Fouchier: „Inmiddels weten we dat er bij vogels virussen voorkomen die één of twee van de cruciale mutaties al hebben. Veel landen hebben blijkbaar niet de financiële ruimte om pluimvee te ruimen om het virus te vernietigen. Maar op het moment dat je virussen vindt met één, twee of drie van onze mutaties, zou toch het advies moeten zijn: meteen ruimen.” De resultaten moeten daarom, volgens de meeste commentaren in Nature, naar alle landen met H5N1-uitbraken onder vogels.

Iran bijvoorbeeld. En de Palestijnse gebieden. Fouchier: „Daar zit dus het probleem. Het lijkt mij onwaarschijnlijk dat de Amerikaanse overheid besluit dat Iran een ‘legitieme noodzaak’ heeft de kennis over het virus te bezitten.” Maar zodra er landen worden uitgesloten wankelt de internationale informatievoorziening waar de WHO juist vorig jaar een akkoord over sloot. Arme landen waren woedend dat Amerikaanse labs en industrieën virussen uit hun patiënten gebruikten om tests en vaccins te maken die voor die landen onbetaalbaar waren. Fouchier, die zelf een Indonesisch virus gebruikte voor zijn werk: „Als die WHO-regeling sneuvelt wisselen veel landen hun virusinformatie niet meer uit, zodat je geen idee meer hebt hoe het virus daar in het wild evolueert. Dat is gevaarlijk.”