Wegkijken bij Jodenvervolging

Aan de Weesperstraat in Amsterdam, voor de Tweede Wereldoorlog het kloppend hart van Mokum, staat een curieus monument. De hoofdtekst luidt: ‘1940-1945. Aan de beschermers der Nederlandse joden in de bezettingsjaren’. Met dit monument uit 1950 wilden Joodse Amsterdammers ‘erkentelijkheid’ uiten jegens hun stadgenoten. Maar geheel vrijwillig gebeurde dat niet. Notabel Amsterdam had de Joodse gemeenschap, voor zover die de shoah had overleefd en ook was teruggekeerd, stevig onder druk gezet om dit initiatief te nemen.

Het monument is op zich geen leugen. Er waren tijdens de bezetting Amsterdammers met wie de circa honderdduizend Joodse medeburgers „vereend in afweer” waren, zoals een tekst op een van de panelen luidt. Maar het daarnaast gegraveerde ‘gesterkt door uw weerstand’ is, om het Jiddisch te zeggen, een gotspe. Dat weten we op hoofdlijnen al sinds de publicatie in 1965 van Ondergang van de historicus Jacques Presser.

Sindsdien is het beeld dat Nederland zich niet als één man tegen de Jodenjacht keerde, steeds gedetailleerder beschreven. Nergens in West-Europa zijn zoveel Joden gedeporteerd als hier. Zelfs na 5 mei 1945 waren overlevenden niet welkom. ‘Wat kom je doen’, was de stemming.

Officieel is dit ‘wegkijken’ amper onderzocht. De parlementaire enquête over het beleid van de regering in ballingschap bleef in 1956 aan de oppervlakte.

In het vorig jaar verschenen boek Judging the Netherlands hebben de ex-ministers Zalm en Borst bepleit dat de regering excuses aanbiedt voor deze passieve houding. Beiden dienden bij premier Kok, die niet verder wilde gaan dan een spijtbetuiging toen dat in 2000 aan de orde kwam bij het besluit over de compensatie van geroofde Joodse tegoeden.

In antwoord op Kamervragen van de PVV heeft premier Rutte vorige week verklaard dat hij de lijn van Kok volgt. Daar is veel voor te zeggen. Wegkijken is laf. Maar lafheid is iets anders dan direct daderschap. De vergelijking met het bloedbad in Rawagede (Indonesië, 1947) gaat niet op. Die executies werden uitgevoerd door Nederlandse militairen, een daad waarop de regering ook nu nog aanspreekbaar is.

Maar daarmee is alles wel gezegd. Want de argumentatie die Rutte voor dit standpunt aanvoert, is beneden peil en gespeend van elke vorm van empathie. „Het kabinet beschikt niet over een breed gedragen advies van betrokkenen of geobjectiveerde informatie” dat daartoe noopt, schrijft hij. Hij bedoelt dat de Joodse gemeenschap in Nederland niet om excuses vraagt, al is het maar omdat de doden er niet van gaan leven en omdat de geschiedenis niet zwart-wit is. Klinisch gezien klopt dat. Maar daarbij had hij het niet moeten laten. Ook Rutte kent de pijnlijke getuigenissen en studies over de andere kant van Nederland.