Waar de rijkdom en het falen van Afrika samenkomen

‘Het belangrijkste land van Afrika is Nigeria”, merkte Johnnie Carson, de hoogste Amerikaanse diplomaat voor Afrika eens op. Zonder het olie- en volkrijke Nigeria komt Afrika niet vooruit. En als de ruim 167 miljoen Nigerianen elkaar het hoofd inslaan, zuigen ze de hele West-Afrikaanse regio mee in een neergaande spiraal van conflict.

West-Afrika sidderde, toen de afgelopen weken een nationale staking en de niet te stuiten terreur door de extremistische islamitische groep Boko Haram de eenheid van Nigeria in gevaar brachten.

Het uiteenvallen van het diverse Nigeria – er wonen 250 stammen – werd al voorspeld bij de onafhankelijkheid in 1960. Bij grote nationale crises, zoals de burgeroorlog in 1967 en de staking en de terreur nu, had het land voldoende veerkracht voor overleving.

Maar naarmate de geschillen worden aangewakkerd – tussen klassen en tussen godsdiensten – raakt de rek eruit. Dat in Afrika het risico bestaat dat een natiestaat ook echt ten onder gaat, toont Somalië, nota bene etnisch een van de meest homogene landen van het continent, iedere dag.

Het gaat goed met Afrika. Of misschien beter: na decennia van politieke en economische stagnatie en vele oorlogen, gaat het weer de goede kant uit. Zeven van de snelst groeiende economieën ter wereld zijn in Afrika en de gemiddelde economische groei van het continent ligt rond de 5 procent. De politieke vrijheid en de persvrijheid zijn groter dan in het Midden-Oosten.

Het stokt bij de opbouw van de staat. Nigeria is de grootste olieproducent van het continent, maar moet geraffineerde olie importeren en subsidiëren. Het land slaagt er bijlange na niet in om voldoende elektriciteit te genereren, dus draait het land op geïmporteerde aggregaten.

Corrupte politici, verenigd in bijvoorbeeld een aggregaatkartel, profiteren van die scheefgroei. Zo werd Nigeria een mislukkende staat, uiterst kwetsbaar voor terroristische groepen, zoals Boko Haram.

Chinua Achebe, Nigeria’s beroemdste schrijver, zei over de staking: „Protesten zijn vaak een symptoom van dieper liggende problemen”, en hij legt uit wat hij bedoelt: „Verzet tegen leiders die de natie hebben opgelicht voor 400 miljard dollar”. Dat is het geschatte bedrag dat door Nigeriaanse politici sinds de onafhankelijkheid werd gestolen. De arrogantie van de macht is inderdaad soms ziekmakend in Afrika.

Wat een opluchting om dan de Malinese president Amadou Toumani Touré te ontmoeten (zie pagina 3). Op een gure decemberdag in Den Haag valt de man in bruine regenjas en alpinopetje nauwelijks op in de grauwe mensenmassa. Hij zoekt niet de confrontatie maar de consensus en werkt aan een bijzonder democratisch model gebaseerd op oude tradities.

De tolerante Touré behoort tot de wijste leiders van Afrika. Kandidaten bij de spannende verkiezingen volgende maand in Senegal, met de muziekkant Youssou N’Dour als kanshebber, kunnen aan hem een voorbeeld nemen.