Nog bedekkend

Doordat ik te laat bij de kapper was gearriveerd, moest ik lijdzaam toezien hoe hij eerst een andere klant onder handen nam. Het was een gezette man van achterin de vijftig. Zijn hoofd begon bovenop te kalen, terwijl de inhammen zich ook al fors landinwaarts uitstrekten.

Terwijl ik me tevergeefs in een of ander autoblad probeerde te verdiepen, moest de man aan een wit bekken plaatsnemen. De kapper trok zijn hoofd achterover en spoelde het haar met een handdouche uit – een ritueel dat ik nogal onaangenaam vind omdat er altijd enig lauw water onder je halsboord kruipt. Het geeft je het gevoel dat je aan een teleurstellende dag begonnen bent.

Toen de kapper uitgespoeld was, mocht de klant naar de wand met kaptafels verhuizen. Schort om, hoofd recht.

Hun verplichte conversatie kwam moeizaam op gang, als kapper kun je nu eenmaal niet altijd in topvorm zijn – als klant trouwens ook niet. Na een snel rondje Ajax, Wilders en Griekenland verlegde de klant het gesprek voorzichtig naar de kwaliteit van zijn haar. Kappers beginnen daar zelden uit zichzelf over, wat begrijpelijk is. Ze ademen al de hele dag haar, ze ruiken niet veel anders en ze moeten er ook nog van eten. Ik stel me voor dat ze, net als katten, thuis af en toe zo’n bevrijdende haarbal uitbraken.

De klant schraapte zijn keel. „Het wordt wel een beetje dunnetjes, vind je niet?”

„Wees blij met wat je hebt”, zei de kapper, „ik krijg hier knapen van 25 die al zo kaal als een biljartbal zijn.”

De klant monsterde zichzelf in de spiegel, terwijl hij zijn hoofd wat omlaag hield. „Ik heb wel het gevoel dat het de laatste tijd nogal snel gaat.”

„Het valt mee. Het is nog altijd bedekkend.” De kapper kamde het haar een paar keer achter elkaar snel omhoog.

„Ja…”, zei de klant weifelend, „zo lijkt het nog wel wat.”

„Niet zo somber. Je hebt dun haar, maar de structuur is stevig.”

De klant zweeg. Vermoedelijk vroeg hij zich nu af of de kapper de antwoorden gaf waarvan hij aannam dat ze gewenst werden. Toen zei hij snel: „Denk je niet dat ik gauw helemaal kaal word?”

„Geen sprake van”, zei de kapper. Met forse halen kamde hij het donkere haar horizontaal over de schedel. „Zie je wel dat het nog redelijk dekt? Dat verdwijnt niet zo gauw bij dit type haar. Gebruik je veel shampoo?”

„Elke dag.”

„Jezus. Dat moet je nou juist níét doen. Shampoo is gif. Het bijt in je huid en het beschadigt de haarwortels. Ik gebruik die rotzooi al in geen jaren meer. Ik spoel mijn haar alleen nog met water uit, één keer per week. ’s Morgens maak ik het even nat en dan kam ik het. Shampoo heb je helemaal niet nodig.”

„Maar krijg je dan geen enorme jeuk op je kop en gaat je haar niet stinken?”

De kapper moest kort lachen. „Welnee. Ik heb vroeger met enkele collega’s de proef op de som genomen. Wij wasten ons haar anderhalf jaar niet, ook niet met water. Na een maand of drie begon het te stinken, maar een tijdje later verdween de lucht en was alles normaal. Je moet de natuur zijn werk laten doen. Dan komt alles goed.”

„En dan krijg ik mijn haar weer terug?”

De kapper knikte gedecideerd. „Die haarwortels van jou hebben van al die shampoo een enorme opdonder gehad, maar ze kunnen zich nog altijd herstellen.”

De klant zocht onzeker via de spiegel oogcontact met mij, maar er was geen haar op mijn hoofd dat zich tot commentaar liet verleiden.