Het dispuut van Floor

Floor staat op de drempel van haar appartement in een Amsterdams grachtenpand. Ze is jarig. Binnen is het feest. Wij staan buiten. Ik leg nog een keer uit dat we de muziek hoorden, dat het ons leuk lijkt om mee te feesten en dat we de gezelligste gasten van de avond zullen zijn. Ze bestudeert de fles goedkope whiskey die ik eerder op de avond als bedankje meekreeg na een optreden in een ijskoud weiland in Heemskerk. Daarna kijkt ze naar cadeau nummer twee, mijn dichtbundel, die ik in Heemskerk aan niemand kon slijten. Ze knikt. We mogen doorlopen.

Binnen staan een stuk of dertig studenten. De meisjes dragen de laatste collectie van H&M en maken foto’s van elkaar en vooral zichzelf. De jongens staan in groepjes aan bierflesjes te lurken. Ze zijn gemiddeld tien jaar jonger dan wij. Van het Amsterdams studentencorps, denk ik. Jaar 2009, misschien zelfs 2010. De toekomstige managers en bestuurders van ons land werpen ons koele blikken toe. Ik denk aan de Indiaan die ik ooit ontmoette in de jungle van Suriname. Mensen sluiten een vreemdeling pas in, zei hij, als ze erop vertrouwen dat hij uiteindelijk op hen zal gaan lijken. Dat hij onderweg is hen te worden. Hij nam een slok bananenbier en vervolgde dat integreren begrijpen is. Begrijpen dat er niets is wat de ene mens van de andere onderscheidt. Dat je er dus bij hoort, dat iedereen overal bijhoort.

Ik probeer zoiets uit te stralen. Jaar 2010 pikt het niet op.

Emilie komt naast mij staan. Ze is Floors dispuutgenoot.

Ze wil weten wat we nou eigenlijk precies komen doen.

Meefeesten, zeg ik.

Maar jullie hebben toch niets te vieren?

Ik vraag me af wat de Indiaan nu zou zeggen.

Een meisje met donkerbruin haar en pareloorbellen voegt zich bij haar. Waarom, vraagt ze ronduit vijandig, ga je naar een feestje waar niemand je kent? Ik kijk om me heen.

Iedereen staat met de rug naar ons toe of loert argwanend onze richting uit. We zijn misschien te duidelijk niet op weg deze mensen te worden. Drie vreemde eenden in het kippenhok van Floor. Gênant.

Ik begin mijn jas vast te zoeken in de stapel op de grond. Nog voor ik hem gevonden heb komt een kleine blonde jongen in een gestreept overhemd op ons af. De meisjes hebben slechte ervaringen met inbraak, zegt hij, het is echt beter als jullie nu vertrekken want dit veroorzaakt onrust. Het meisje dat net foto’s van zichzelf maakte, maakt ze nu van ons. Bewijsmateriaal voor als er straks portemonnees zijn verdwenen, denk ik.

Op weg naar buiten vermijdt Floor mijn blik. De dichtbundel ligt op het aanrecht, even overweeg ik hem terug te vragen, maar de blonde jongen dirigeert ons kordaat de trap af en escorteert ons tot aan de deur. We zijn precies tien minuten binnen geweest.

Diep beledigd staan we op de stoep. Typisch Nederlands, zegt mijn vriend Christiaan. De afwijzing houdt me de hele weg naar huis bezig. Ik voel me in de steek gelaten door alle feesten van de wereld. Ik besluit me hier niet bij neer te leggen. Vanaf nu ga ik alleen nog maar onuitgenodigd naar feestjes. Undercover de Hollandse gastvrijheid onderzoeken. Aanbellen en kijken wat er gebeurt. In de state of mind van de Indiaan.

Maar eerst moet ik terug naar Floor. Ik ben mijn portemonnee vergeten.