Gary de vleesmagneet

Gary had zich Amsterdam heel anders voorgesteld. We zitten in zijn hotelkamer midden in de stad. Het raam staat open, het regent naar binnen, maar om ons heen zijn acht mensen aan het blowen en Gary is bang voor het rookalarm. Hij is gisteren bij drie clubs geweigerd en besloot toen zelf maar iets te organiseren. Gary heeft de licht hysterische toon van een Amerikaanse tv-evangelist, iemand die geboren werd om anderen te overtuigen. I loooove meeting people. In de kamer zit een bij elkaar geraapt groepje verregende toeristen. Zijn oogst van vier dagen Amsterdam. Toen ik voorbij fietste stonden ze met zijn allen in het raam te roken. En ja, natuurlijk mocht ik binnen komen. Graag zelfs. Eenmaal boven bleken de rokers ook de enige gasten te zijn. Maar, zegt Gary, er komen er meer. Hij verwacht nog een groep Italianen die hij gisteren in de Winston ontmoette. En de twee Zweedse meisjes met wie hij zo gelachen heeft in de rij voor het Eeen Freeenk-huis. Ik ben een mensenverzamelaar, zegt hij plechtig, een soort vleesmagneet.De sfeer in de hotelkamer is er een van hoopvolle verwachting. Het is friday night in Emsterdem, er gaan spannende dingen gebeuren. Mijn komst leek daar een vooraankondiging van. In Zuid-Afrika zou zoiets nooit gebeuren, verzucht een kleine jongen in de vensterbank. Een local die zomaar je hotelkamer binnenloopt, dat kan alleen in Emsterdem. Ik probeer de verwachtingen wat te temperen door te zeggen dat ik misschien een beetje een uitzondering ben.

De mensenverzamelaar herhaalt nog eens dat het fantastisch is dat ik er ben. Hij was teleurgesteld de afgelopen dagen. Hij dacht dat mensen in Amsterdam open en toegankelijk waren. Maar hij kreeg geen contact met de locals. Ik probeer een grapje te maken over de werking van zijn magneet, maar Gary neemt zijn taak als vleesmagneet serieus. Een magneet werkt met twee polen, zegt hij ernstig, allebei de polen moeten meewerken. Ik besluit dat ik te weinig van magneten weet om hier met hem over in discussie te gaan. De twee meisjes naast hem knikken driftig. Je hebt vast vrienden, zegt Gary, maar je zit nu niet bij hen. Je kiest ervoor om bij ons te zitten. Strangers. We zijn allemaal vreemden voor elkaar hier. Dat is toch mooi? Ik kijk de kamer rond. Negen paar waterige, rode ogen kijken mij onderzoekend aan. Wie denken ze dat ik ben? Een eenzame passant? Een filantroop die toeristen vermaakt? Een typische Amsterdammer? Er wordt nu duidelijk iets van mij verwacht. Iets typisch Amsterdams. Iets wat ze thuis kunnen vertellen. Wat ik hier zeg of doe wordt exemplarisch voor ‘de’ Amsterdammer. Voor ik het weet ben ik aan het liegen. Ik zeg dat dit wel vaker gebeurt. Dat Amsterdammers open mensen zijn die het leuk vinden om anderen te ontmoeten. Dat ze waarschijnlijk net de verkeerden hebben getroffen. De meisjes kijken mij een beetje argwanend aan. Maar de rest wil mij graag geloven. En dan begin ik het zelf ook te geloven. Wie zegt dat ik de enige ben die hier nu in een rokerige hotelkamer naast een Gary zit? Waarom zou ik een uitzondering zijn?? Thats’s beautiful, zucht de mensenverzamelaar. En ik knik. Ja, that’s beautiful.