Een harde knal, en alles in de hut staat direct schuin

Afgelopen vrijdag kapseisde het Italiaanse cruiseschip Costa Concordia.

Terwijl een schip als dit juist bekend staan als uitermate veilig.

Een harde knal. Het is donker. En in de hut van een echtpaar uit Haarlem staat opeens alles scheef. Dat zien ze niet. Dat voelen ze. Een flauw noodlicht gaat aan in de gangen van cruiseschip Costa Concordia. Jaco (72) en Ank (72) van Witteloostuijn uit Haarlem pakken de koffers en trekken reddingsvesten aan. Een bemanningslid kwam voorbij en droeg hen dat op. Alles is onder controle, zei hij nog. Dat mantra klinkt steeds opnieuw ook door de speakers. Schuinhangende cabinedeuren klapperen tegen de kuiten van passagiers.

Door de intercom klinkt dan: iedereen naar het sloependek. Het echtpaar moet daarvoor acht trappen naar beneden, in dat donker, naar dek vier. De koffers laten ze achter. Jaco vertelt door de telefoon hoe het was: „Mensen liepen in pyjama, in cocktailjurk, in overhemd, in feestkleding. We duvelden telkens tegen de leuning. Alles was schuin. Alsof je zwaar dronken bent.”

Onderaan de trappen staan de zeventigers in een lange, lange rij. „Ik zag niets, zo vol was het.” Als ze hand in hand met de massa mee het dek op stromen, merken ze pas dat het goed mis is. Een en al paniek. Gegil, geschreeuw, een kluwen van mensen. Er staan zeker vierduizend mensen op één dek. En allemaal willen ze als eerste de reddingsboten in. De regie van de bemanning versterkt dan de paniek, vertelt hij. Honderden Italianen die op hoge toon door elkaar schreeuwen. En niemand die begrijpt wat ze zeggen.

Het cruiseschip Costa Concordia raakte afgelopen vrijdagavond, 13 januari, beschadigd net voor de kust van een Italiaans eiland bij Toscane. In korte tijd kantelde en zonk het schip. Gisteravond waren vijf mensen overleden en nog vijftien mensen vermist. De 34 Nederlanders aan boord van het schip zijn allen in veiligheid gebracht. De meesten zijn alweer thuis.

De vraag is hoe een modern cruiseschip als de Costa Concordia kon zinken. Cruiseschepen staan bekend als veilig en zijn uitgerust met moderne technologie. Daarover straks meer.

Eerst moeten we weten dat Ank en Jaco eigenlijk helemaal geen cruisemensen zijn. Te veel casino. Te veel glitter. Maar vrienden gingen en kwamen enthousiast terug. En cruisetochten bleken goedkoper dan ze dachten. In oktober vinden ze op internet een aanbieding. Een cruise van 7 tot 14 januari. Ze zouden langs alle plaatsen in Europa komen die ze nog wilden zien. Barcelona, Sardinië, Sicilië, Marseille, Palma de Mallorca.

Ze gaan.

Eenmaal aan boord is er een kleine veiligheidsinstructie. De passagiers stellen zich op in rijen en de bemanning toont de reddingssloepen. „Meer niet.” De excursies zijn prima. Het eten is goed. Ze discussiëren aan tafel met andere echtparen, over „loodgieterkwesties” en „de euro”. De muziek staat altijd hard. Aan boord van het cruiseschip is het ongelofelijk druk. Overal zijn mensen. Overal zijn shows. „Zelfs de klassieke muziek wordt versterkt.” Het echtpaar trekt zich terug met de eigen boeken in de bibliotheek. „Die was rustig, want niemand las.” Als het schip kapseist op vrijdagavond heeft Jaco van Witteloostuijn bijna vier boeken uit.

Het aantal mensen dat een cruisereis boekt is geëxplodeerd in de afgelopen decennia. Er kwamen ook meer cruiseschepen bij en die werden groter en groter. Cruiseschepen zijn een soort dorpen op zee. Duizenden passagiers varen mee. Honderden bemanningsleden. Een half jaar geleden spraken bergers, reders en verzekeraars in Londen daarom over de veiligheid van cruiseschepen.

Ze bespraken wat het best gedaan kon worden als zo’n dorp op zee een ongeluk krijgt. Alle denkbare scenario’s kwamen voorbij. Wat als zo’n immens schip met al die duizenden passagiers ergens tegenaan botst of als het strandt? Wat als daarbij één of twee, of misschien wel drie compartimenten vol water stromen?

Moderne schepen zijn verdeeld in verticale compartimenten om te voorkomen dat zeewater bij een ongeluk vrij door de boot kan stromen. Besproken werd dat je passagiers dan het best aan boord kan laten en het schip aan de grond moet zien te krijgen. Het schip is de reddingsboot. De vaak oudere passagiers vervoer je liever niet in wiebelige bootjes.

Klaas Reinigert was bij de expertmeeting in Londen. Hij was directeur van het bergingsbedrijf Smit-Tak. Met het scenario van vrijdagavond had niemand uit de industrie rekening gehouden, zegt hij. Cruiseschepen kapseizen niet. Het ongeluk met de Costa Concordia overtreft „de stoutste verwachtingen”.

Het cruiseschip kapseisde en zonk. Door een lange scheur aan de zijkant van het schip zijn de verticale compartimenten vermoedelijk horizontaal doorgesneden. Dwarsschotten functioneren dan niet meer. Water liep aan één kant het schip in. Mogelijk was de zee zo vlak voor de kust bij Toscane te ondiep. En hup, het schip ging om.

Niet alleen de industrie, ook de bemanning was waarschijnlijk niet voorbereid. Ze leren wat ze moeten doen als er brand of andere calamiteiten ontstaat op het schip, vertelt Reinigert. Wat er moet gebeuren als het schip strandt, of als het ergens tegenaan vaart. Ze leren alleen níét wat ze moeten doen als een schip kapseist en zinkt, vermoedt hij.

Wat had de bemanning nog kunnen doen, vraagt de voormalig bergingsdirecteur zich af. „Stel je voor. Je zit te eten, hapje, drankje. Ineens, boem, het schip gaat om. Twintig graden slagzij, al heel snel. Er moeten duizenden mensen van boord. De totale paniek die dan uitbreekt. Zelfs met de beste voorschriften en de beste bemanning krijg je het dan niet voor elkaar mensen keurig een voor een van boord te halen.”

De passagiers hebben, vindt hij, ongelofelijk geluk gehad. De meesten lagen nog niet te slapen. Het was mooi weer. Het schip lag vlak voor de kust. Er lagen vissersbootjes voor die kust die snel passagiers konden oppikken. Als een zo groot schip zinkt op de oceaan is het dodental niet te overzien, zegt hij. „Als je dan, zeg, 10 procent van de passagiers kan redden heb je het goed gedaan.”

Als ook zijn vierde boek bijna uit is, krijgt Jaco van Witteloostuijn last van zijn maag. Hij spoedt zich naar de wc. „Net op tijd. Alles kwam eruit.” Na wat water en een kop thee gaat het echtpaar rond een uur of acht terug naar hun hut op het achtste dek. De cocktailbars en de restaurants zijn op dat moment nog afgeladen vol. Dan de knal en het donker. De bezweringen. En de gang naar het overvolle dek.

Daar donderen mensen tegen de relingen aan. „De hellingshoek was denk ik veertig graden. Ik zag oude mensen die slecht ter been waren. Maar ook moeders met kinderen. Die waren net thermostaten. Ze voelden dat er iets mis was en begonnen allemaal te brullen.”

De kinderen mogen als eerste de sloepen in. Terwijl Jaco en Ank elkaar goed vasthouden worden ze van boot naar boot gedrukt. Verpletterd tegen de reling van het schip probeert Jaco ruimte te maken voor een moeder met kind. Het lukt.

Een uur later staat het Nederlandse stel nog steeds te zoeken naar een boot. „Het is vol, zeiden ze overal.” Bij de op een na laatste boot zegt een Italiaan opnieuw ‘nee nee nee’. Jaco kijkt, ziet dat er nog zo’n vijftien zitplaatsen zijn en denkt ‘ja ja ja’. „We hebben onszelf erin gedrukt.”

Als de rem er af gaat zakken Jaco en Ank met 150 man van tien meter hoogte aan een ketting naar beneden. Maar dan, na één meter, stopt het zakken plots. „Een siddering door de boot, opnieuw gegil.” De Italianen zeggen iets onverstaanbaars en beginnen te sleutelen aan iets dat op een pikhouweel lijkt. De boot zakt verder raakt het water, start en vaart weg. Niet rechtdoor, maar in een rondje, zo tegen de romp van het schip aan. „Opnieuw gegil en gekrijs. Er was iets met de stuurknuppel.” Dan lukt het toch weg te varen, richting een eiland. „De volgende beproeving.”

Terwijl het eiland Giglio met duizend bewoners zich voorbereid op de nacht, komen vijfduizend mensen de kade op. Het enige barretje in de buurt staat binnen twee minuten vol. Vijf minuten kunnen Jaco en Ank uitrusten bij iemand thuis. Dan vinden ze een kerk om in te schuilen.

Vier uur later worden ze opgeroepen een boot op te gaan op weg naar het vaste land. „Zaten we weer. IJskoud op het bovendek.” Aan land vangt het Rode Kruis ze op in een tent. Ze krijgen dekens van aluminiumfolie en lopen dan door, naar de rij voor de bussen. Ze worden opgevangen in een oud, te renoveren schoolgebouw zonder toiletten. „We gingen door een sluis, zodat we waren geteld, en kregen een broodpakket.”

De volgende ochtend kunnen Jaco en Ank naar Milaan reizen. Daar pakken ze het vliegtuig. Op Schiphol wachten de kinderen hen op. Zijn boeken, zijn scheerapparaat, alles ligt in de Middellandse Zee. Alleen zijn autosleutels, die heeft hij bij zich.

Hij zag dingen, vertelt hij, waarover hij niet wil vertellen. „Ik kan het niet aan. Mijn brein vindt dat nog verwarrend. Ik moet alles nog verwerken. We hebben een Titanic-gevoel.”