Een feest om te lachen

‘Hier mop, breng even rond.” John duwt een schaal hotdogs in mijn handen en gebaart me hem te volgen naar de kleine achtertuin. De huiskamer hangt vol oranje vlaggen, nog over van koninginnedag. John heeft een nieuwe scootmobiel en zijn vrouw Angela werd vier weken geleden zestig. Genoeg te vieren dus. Ik fietste toevallig langs hun huis, hoorde feestgeluiden en belde aan. We hebben te weinig hotdogs, zei Angela, toen ik vroeg of ik welkom was. Ik ben vegetariër, zei ik, en ik heb al gegeten. Wat voor type ben je? vroeg John. Ik begon over gedichten en theater en dat ik ook wel in de keuken wilde helpen. John keek vragend naar Angela, Angela knikte. Ik mocht binnenkomen.

In de tuin zitten vijftien mensen tussen de vijftig en zeventig. De vrouwen geblondeerd, de mannen kaal. Trainingspakken, leggings en bij de helft van de gasten een hond op schoot. Ik stap de kring in. Dit is onze nieuwe dienstmeid, roept John uitgelaten. Er wordt gebulderd van het lachen. Het is mij niet helemaal duidelijk of ze me uit-, of toelachen. Hai, zeg ik. Ik zwaai naar de mensen, voel me totaal onnozel. Een van de mannen klapt dubbel van de pret. Een vrouw vindt het zo grappig dat de tranen over haar wangen biggelen. John slaat mij iets te hard op mijn rug en ploft dan neer in een plastic tuinstoel. Kom maar op met die hotdogs, giert hij.

Terug in de keuken wil Angela weten of ik niks beters te doen heb op vrijdagavond. Ik stel me voor hoe zij mij hier ziet staan. Een zonderling type dat bij gebrek aan sociale contacten de stad afschuimt en nu per ongeluk in haar keuken is beland. Ik zeg dat ik geïnteresseerd ben in wat er buiten mijn eigen sociale kring gebeurt. Tussen de dampende pannen vol worst klinkt het totaal onzinnig. Angela schudt haar hoofd. „Je bent een rare.”

We zijn even stil.

Buiten barst de groep weer uit in bulderend gelach. John en zijn grappen, zucht Angela. Ze zegt dat hij zich eigenlijk vreselijk voelt. Hij heeft net gehoord dat ‘zijn club’ wordt wegbezuinigd. ‘Zijn club’ is het buurthuis waar hij vier avonden per week gratis cursussen ondernemerschap geeft. Hij leeft ervoor, zegt Angela zacht. Waarom moet zoiets verdwijnen? Ik zeg dat er veel verdwijnt nu wat niet zou moeten verdwijnen. Angela knikt. Weet je, zegt ze, die Rutte die liegt. En nu moet hij John hebben... Ze maakt haar zin niet af en prikt met een vork in de worst alsof ze Rutte in haar pan heeft liggen. Daarom is dit feestje, snap je? Als John zich slecht voelt moet hij lachen. John komt de keuken binnen, een brede grijns op zijn gezicht. „Wat staan jullie hier te sippen?” Hij pakt mijn arm. Ze vragen buiten naar je, grinnikt hij. Ze willen een gedicht.

Ik sta midden in de kring. John kijkt mij verwachtingsvol aan. En ik denk dat ik zie hoe verdrietig hij is. Ik vraag me af of hij hoopt op een troostend gedicht. Ik ken er maar één uit mijn hoofd. Een hele korte van Tjitske Jansen. Het is een mooi gedicht. Ik waag het erop. Ik schraap mijn keel, de groep giechelt.

Mevrouw Julia doet de ramen open

en ze weet geen woord voor de lucht die haar wangen aanraakt

en de zon heeft de kleur van honing

en ze weet

vandaag gaat het gebeuren

en ze denkt

maar eerst blijf ik nog even staan.

De kring is stil. John kucht. Dat is geen gedicht, zegt hij.

Jawel, zegt Angela.