Don't worry, alles onder controle, klinkt het over de intercom

Bij het ongeluk met het cruiseschip Costa Concordia kwamen zeker zes mensen om het leven. Het lijkt erop dat de kapitein een groot risico nam. Maar er zijn meer vragen over de veiligheid van een markt die vooral in Europa onstuimig groeit.

Hij voelt zich nog wat licht in zijn hoofd, „rommelig”. Maar de adrenaline, zegt Jaco van Witteloostuijn (72) uit Haarlem, die is verdwenen. „Die heb ik verspeeld aan het zoeken van een reddingsboot op het kantelende schip.”

Eigenlijk zijn ze helemaal geen cruisemensen, hij en zijn vrouw Ank (72). Te veel casino, te veel glitter. Getipt door vrienden gaat Jaco toch letten op aanbiedingen. In oktober vindt hij precies wat hij zoekt: een cruise van 7 tot 14 januari naar alle plekjes in Europa die ze nog wilden zien: Barcelona, Sardinië, Sicilië, Marseille, Mallorca. De cruise op de Costa Concorda wordt hun eerste.

Aan boord is er een kleine veiligheidsinstructie. „We werden opgesteld in rijen en ze lieten ons de reddingssloepen zien. Meer niet.” De excursies zijn prima, net als het eten, aan lange tafels begeleid door harde muziek. Ze maken vrienden en aan tafel wordt over van alles gediscussieerd, „van loodgieterkwesties tot aan de euro”.

Minpunt is de drukte. Overal mensen, overal shows. Zelfs de klassieke muziek wordt versterkt. „Uiteindelijk zijn we met onze eigen boeken gaan zitten in de bibliotheek. Die was rustig, want niemand las.”

Op vrijdag 13 januari, als ook het vierde en laatste boek bijna uit is, krijg Jaco last van zijn maag. Iets verkeerds gegeten, denkt hij, en na een klein hapje spoedt hij zich ’s avonds naar het toilet. „Net op tijd.” Het is rond acht uur. Na wat water en een kop thee gaan Jaco en zijn vrouw terug naar hun hut op het achtste dek. De bars en restaurants zijn dan nog afgeladen vol.

Jaco kleedt zich uit en kruipt in bed. Zijn vrouw wil hem volgen en dan gebeurt het. „Een harde knal, licht uit en direct alles scheef. Ik wilde uit bed stappen maar merkte: hé, de vloer staat schuin.” „Kleed je aan”, zegt zijn vrouw. Laat me, ik ben ziek, denkt Jaco. „Kleed je nou aan”, zegt ze opnieuw. „Koukleum als ik ben, deed ik meteen een paar lagen kleding aan.”

Terwijl de hut pikkedonker blijft gaat in de gang de noodverlichting aan. „Een paar ‘kaarsjes’, dat stelde niet veel voor.” Direct komt een steward langs. ‘Don’t worry, everything is under control’, zegt hij. „Dat werd nog een paar keer door de intercom herhaald.” Jaco en Ank doen op verzoek hun reddingsvest aan en gaan net als alle anderen op de gang staan met hun koffer. Iedereen is kalm. Sommigen zoeken in het donker hun spullen bij elkaar, anderen ergeren zich aan de losse cabinedeuren die tegen de kuiten klapperen.

Door de intercom klinkt een oproep: iedereen naar het sloependek. Voor Jaco en Ank betekent dat in het donker acht trappen naar beneden, naar dek vier. „Mensen in pyjama, avondkleding, overhemd – alles kwam voorbij. En we duvelden telkens tegen de leuning. Alles was schuin. Alsof je dronken bent.”

Aangekomen bij het sloependek staan Jaco en zijn vrouw in de rij om erop te komen. „Ik zag niets, zo vol was het.” Als ze hand in hand met de massa mee het dek op stromen, merken ze dat het goed mis is. Overal grote paniek. Gegil, geschreeuw, een kluwen van mensen. Vijfduizend op één dek, en iedereen wil als eerste de reddingboten in. „De mensen donderden tegen de relingen aan; oude mensen die slecht ter been waren, maar ook moeders met kinderen. Die voelden dat er iets mis was en begonnen allemaal te brullen.”

De chaotische regie van de bemanningsleden versterkt de paniek. Negenhonderd Italianen die allemaal „op z’n Pavarotti’s” op hoge toon door elkaar schreeuwen. Bambini, bambini, klinkt het voordurend. Kinderen mogen als eerste de sloepen in. Terwijl Jaco en Ank elkaar goed vasthouden worden ze van boot naar boot gedrukt.

Geplet tegen de reling van het schip probeert Jaco ruimte te maken voor een moeder met haar kind. „Met alle spierkracht in mijn armen drukte ik mezelf naar achteren.”

Het lukt. Maar een uur later zijn Jaco en zijn vrouw nog steeds aan het zoeken naar een boot. „Het is vol, zeiden ze overal.”

Bij de een na laatste boot zegt een Italiaan opnieuw nee-nee-nee. Jaco kijkt, ziet dat er nog zitplaatsen zijn en denkt ja-ja-ja. „We hebben onszelf erin gedrukt.”

Als de rem eraf gaat, zakken Jaco en Ank met 150 man van tien meter hoogte aan een ketting naar beneden. Maar dan, na één meter, stopt het zakken plots. „Er ging een siddering door de boot. Opnieuw gegil.”

De Italianen zeggen iets onverstaanbaars en beginnen te sleutelen aan iets dat op een pikhouweel lijkt. De boot zakt verder, raakt het water, start en vaart weg. Niet rechtdoor, maar in een rondje, zo tegen de romp van het schip aan. „Opnieuw gegil en gekrijs. Er was iets met de stuurknuppel.” Dan lukt het toch weg te varen, in de richting van een eiland. „De volgende beproeving.”

Terwijl het Toscaanse eiland Giglio, duizend inwoners, zich voorbereidt op de nacht, komen vierduizend mensen de kade op. „We moeten naar een huis”, zegt Jaco tegen zijn vrouw. Vijf minuten vinden ze rust bij iemand thuis. Daarna kunnen ze schuilen in een kerk.

Vier uur later moeten Jaco en Ank met een boot naar de vaste wal. „Zaten we weer. IJskoud op het bovendek.” Op de vaste wal vangt het Rode Kruis hen op in een tent. Ze krijgen dekens van aluminiumfolie en gaan direct door naar de rij voor de bussen. „Het woord ‘hotel’ viel. In plaats daarvan werden we opgevangen in een oud schoolgebouw zonder toiletten. We gingen door een sluis, zodat we geteld konden worden, en we kregen een broodpakket.”

De volgende ochtend kunnen ze naar Milaan reizen. Daar vertrekt hun vliegtuig. Op Schiphol wachten de kinderen hen op. „Zullen wij rijden pa?” Jaco’s boeken, zijn scheerapparaat, alles ligt in de Middellandse Zee. Behalve zijn autosleutels, die heeft hij bij zich. Jaco rijdt zelf, „ze kennen hun vader”.

Wat Jaco van Witteloostuijn voor narigheid heeft gezien? Jonge, oude mensen die „totaal ontredderd” op het dek lagen. Mensen die van de boot sprongen, aan touwen hingen, gewond raakten en onderkoeld waren. Maar daar kan hij niet over vertellen. „Mijn brein vindt dat nog verwarrend. Ik moet dat nog verwerken. We hebben een Titanic-gevoel.”