De embedded romanschrijver

Een auteur in oorlogsgebied kan fictie schrijven die klopt.

Daarmee wordt de kans op betrokkenheid groter, maar is de werkelijkheid wel het gereedschap van literatuur?

Afgelopen najaar werd er een reis naar Afghanistan georganiseerd voor enkele Amerikaanse thrillerauteurs. Ze zochten Amerikaanse militairen op. Liever dan ze op hun fantasie te laten vertrouwen, wilde de USO (United Service Organizations) de schrijvers doen ervaren hoe het is om als militair in Afghanistan te dienen. Dat leverde wederzijdse betrokkenheid op – en het scheelt vermoedelijk een hoop onjuiste details in de spannende boeken over de strijd tegen de Taliban die we nog tegemoet kunnen zien.

Waar zullen de schrijvers mee komen? Boeken over de Amerikaanse strijd, geschreven vanuit Amerikaans perspectief, of de zoveelste variatie op De boekhandelaar van Kaboel? Authentieke heroïek of een meelijwekkend verhaal over arme Afghanen, vaak gebaseerd op een ware gebeurtenis?

Dat de auteurs die erheen gingen, betrokken zijn en uiting willen geven aan hun zorgen om wat er in Afghanistan gebeurt, mag duidelijk zijn. Maar wat doe je wanneer je betrokken bent en dat aan anderen kenbaar wil maken? Een documentairemaker of schrijver heeft het in beginsel makkelijker dan de gemiddelde burger. Je kan door middel van boeken en films je mededogen tonen en een groot publiek bereiken. Soms zetten schrijvers of acteurs hun betrokkenheid om door geld in te verzamelen voor goede doelen, maar hun eerste behoefte is toch meestal mededogen om te zetten in kunst.

De vraag is alleen: hoe doe je dat? Een tijdje geleden sprak de Libische schrijver Hisham Matar zich hierover uit in de Britse krant The Guardian. Zijn vader was een dissident tegen het regime van Gaddafi, vluchtte met zijn gezin naar Kairo en werd daar gearresteerd, waarna hij in de Libische Abu Salim-gevangenis terechtkwam. Sinds 2002 is er niets meer van zijn vader vernomen en de kans lijkt klein dat dat gaat veranderen. Na de val van Gaddafi houdt Hisham Matar via Twitter en Britse sociale media – hij woont in Londen – het nieuws bij, en beantwoordt hij vragen van journalisten die graag de feiten gekoppeld zien aan zijn romans. Zo werd hem gevraagd hoeveel kogels er gebruikt zouden zijn en in hoeveel woorden je gruweldaden kon omzetten. Matar kon echter niets met de feiten: „Mijn vader zit niet in de feiten”.

Al vanaf de eerste romans zijn schrijvers bezig de werkelijkheid over te dragen. De suggestie dat een verhaal aan de werkelijkheid ontsproten is, begint al met de briefromans van Samuel Richardson – of in Nederland met Betje Wolff & Aagje Deken. Romans in briefvorm geven fictie een authentiekere uitstraling.

De roep om waarheidsgetrouwe fictie komt dus tegenwoordig ook van de overheid: wanneer schrijvers uitgenodigd worden op missies. Dat is nieuw en het zou verontrustend kunnen worden. Maar de vraag is natuurlijk eerst waarom authenticiteit in fictie zo belangrijk wordt gevonden. De aanwezigheid van schrijvers op de plaats van de gebeurtenissen, vergroot de kans op betrokkenheid, maar is de werkelijkheid wel het gereedschap van literatuur?

In een interview in Vrij Nederland zei Matar hierover: „Niet dat de roman vrij is van de geschiedenis, maar de roman is een vorm van verzet tegen het verhaal van de geschiedenis.”

Volgende week gaat de Nigeriaanse schrijver Helon Habila zich tijdens een lezing in Den Haag verdiepen in de hang naar waargebeurd. Volgens hem kan de schijn van werkelijkheid ‘onze blik scherpen en ons inlevingsvermogen vergroten’, zo zal hij betogen. En daarvoor is het nodig dat je soms een verhaal leent, soms een verhaal wegpoetst of voedt met een ander verhaal, in het vertrouwen dat ze uiteindelijk op hetzelfde neerkomen: de werkelijkheid.

Maar in hoeverre kun je verhalen naar je toe trekken die niet de jouwe zijn? Wanneer is inleven de vervanger van meeleven, wordt de suggestie van begrip een surrogaat voor inzicht? In de keuze van het perspectief van een buitenstaander bij het beschrijven van individueel leed, schuilt namelijk een groot gevaar. Te weten: literair ramptoerisme.

Een bekend geval – om niet te zeggen zaak – is Asne Seierstads wereldberoemde De boekhandelaar van Kaboel, waarin ze had gebruikgemaakt van Afghaanse gastvrijheid bij een gezin om vervolgens datzelfde gezin vanuit een westers cultuurkritisch standpunt belachelijk te maken. Weldoener en bergbeklimmer Greg Mortenson deed iets vergelijkbaars: in zijn bestseller Three Cups of Tea vertelde hij hoe hij werd gevangengenomen door de Talibaan, was opgevangen in een Pakistaans dorp na een mislukte beklimming van de K2 en na enkele jaren terugkeerde om scholen te bouwen.

Het bleek vrijwel allemaal verzonnen. Het boek – waarvan wereldwijd miljoenen exemplaren werden verkocht – valt inmiddels aan de straatstenen niet meer te slijten en ook de scholen die er zijn neergezet worden met argusogen bekeken.

Dit zijn de simpelste voorbeelden: waarbij de lezer wordt belazerd in de naam van betrokkenheid – maar literair ramptoerisme kan zich ook uiten in boeken die zich nadrukkelijk presenteren als fictie. Zo kwam de Italiaanse schrijver en oorlogscorrespondent Vauro Senesi met het boek De jongen die niet kon dromen, over een Afghaans jongetje dat in het door de Taliban geregeerde Kabul. Een typisch geval van leed-tot-kitsch-verheven.

Maar ook een gerenommeerde auteur als de Nieuw-Zeelandse Lloyd Jones is niet immuun voor dit soort smakeloosheid. Zo verwerkte hij in zijn laatste roman, Tweedehands wereld, de lotgevallen van een Noord-Afrikaans kamermeisje dat een kind krijgt van een Duitser. De man verdwijnt na de geboorte met het kind naar zijn onvruchtbare vriendin. Het kamermeisje komt als illegaal aan in Italië om van daaruit naar Berlijn te reizen, waar ze op zoek gaat naar haar kind. Het had gebeurd kunnen zijn, ook al is het fictie. Waar het Jones om gaat is dat hij inspeelt op het medeleven, en zijn boodschap luidt: kijk minder bevooroordeeld naar illegalen. Maar het boek is niet goed; de auteur vertilt zich aan zijn eigen betrokkenheid.

Te veel mededogen is niet goed voor de literatuur – zegt ook de Keniaanse schrijver Binyavanga Wainaina. In The Guardian vroeg hij zich dit najaar af hoe het kan dat Groot-Brittannië geen werkelijk mondiale literatuur heeft voortgebracht, ook al was het een wereldrijk. Hij vindt het antwoord in de medelijden-modus waarin Britse schrijvers blijven hangen, zonder dat ze op individuele personages durven in te gaan. In dergelijk empathisch bedoelde romans worden de personages geen individu, maar een voertuig van emoties of medeleven.

Er zijn wel schrijvers die erin slagen om de balans te vinden tussen individueel leed en het gewicht van de wereld. Helon Habila zelf is er goed in, met zijn roman Oil on Water, die gaat over Nigeria, oliemaatschappijen, het milieu maar vooral over de wens om vooruitgang te boeken. En ook de Pakistaanse auteur Mohammed Hanif lukt dat in zijn onlangs uitgekomen roman Onze lieve vrouw van Alice Bhatti. Toen zijn debuut Een kist ontploffende mango’s verscheen, was er nogal wat te doen om het werkelijkheidsgehalte ervan. Omdat Hanif voormalig militair is en omdat alle controleerbare details leken te kloppen, was het interessant wat hij te melden had over de luchtmacht van zijn vaderland.

Onze lieve vrouw van Alica Bhatti gaat over een verpleegster die in de problemen komt omdat ze, naast het hebben van negatieve gedachtes over moslims, ook haar plaats niet kent als christen uit een lagere kaste. Tegelijkertijd schreef Hanif een boek over Pakistan, over sociale onrechtvaardigheid en de positie van minderheden: wat hebben gelovigen aan ‘de belofte dat de kreupelen weer zullen kunnen lopen?’ Want, ‘Als ze kunnen lopen, waar zullen ze dan eens heen gaan? Hoe zit het met echte wonderen, zoals dat afvoerpijpen niet meer verstopt zullen raken? Of dat de hongerigen gevoed zullen worden?’

Hanif weet onze blik te scherpen, zonder dat hij vervalt in literair ramptoerisme. Domweg omdat hij dicht bij huis blijft en de zaken niet mooier of mysterieuzer voorstelt dan ze zijn.

En daarmee zijn we weer terug bij Hisham Matar. Ook hij slaagt er in om dat te doen, in dit geval door het gegeven van zijn verdwenen vader in nu al twee mooie romans om te zetten, zonder in het particuliere te vervallen. In Anatomie van een verdwijning wordt de vader op een dag van zijn bed gelicht door twee Arabisch sprekende personen. Wat blijft is slechts een vermoeden van wat er gebeurd is. De kracht van de roman zit in de afwezigheid, niet alleen van die vader, maar ook in het uitblijven van het uitspreken van grote emoties. Terwijl er toch wel degelijk ruimte is voor ontroering, bijvoorbeeld wanneer de inmiddels volwassen zoon de kleren van zijn vader aantrekt.

‘Ik begroef mijn gezicht in het jasje. Ik trok het aan, maar het zat te strak om mijn schouders en borstkas. Ik voelde me erdoor belemmerd. De mouwen hingen verschrikkelijk ver boven mijn polsen. Ik heb nooit geweten dat kleren zo snel konden krimpen als je ze niet droeg’.

Particulier leed is hier in een paar zinnen omgezet tot een nationaal drama, en wie dat weet te bereiken ontkomt aan literair ramptoerisme.

De lezing Helon Habila is komende donderdag, 19 januari. Kijk op: writersunlimited.nl