Als oude schaker heb je het maar moeilijk

De rentree van Timman bij het toptoernooi trok dit weekend alle aandacht.

De oud-wereldtopper moet nu strijden tegen schakers die groot werden met de laptop.

Het is hoogst ongebruikelijk in Wijk aan Zee. Maar enkele tientallen fans kunnen het niet laten: een beschaafd applausje als de éminence grise van de Nederlandse schaaksport het podium betreedt – buik vooruit, ernstige blik op het gezicht, geconcentreerd tot in de diepste vezels. „Het laatste applaus voor een opkomende speler dateert van 2001”, herinnert perschef Tom Bottema zich. „Voor Garri Kasparov.”

Na een afwezigheid van acht jaar is Jan Timman (60) terug aan de schaaktafels van het Tata Steel-toernooi. In de B-groep, dat wel. „Jan ziet er goed uit. Vol energie”, straalt de Zweedse grootmeester Ulf Andersson, vriend en generatiegenoot van Timman en in 1983 winnaar van het toenmalige Hoogovens Schaaktoernooi. „Heel weinig deelnemers aan dit toernooi weten zo veel van schaken als Jan. Maar als je ouder bent raak je wel sneller uitgeput.”

In de vorige eeuw behoorde Timman jarenlang tot de absolute wereldtop – alleen de Russische grootheid Anatoli Karpov stond in de weg bij Timmans laatste stap naar onsterfelijkheid in de schaakwereld. Maar ook voor denksporters gaan de jaren een keer tellen. Afhankelijk van de fitheid van de speler verandert een schaakleven rond de veertigste verjaardag, vertelt Hans Böhm, vriend, leeftijdgenoot en collega van Timman. In de jaren zeventig en tachtig zwierven ze samen over de wereld, van toernooi naar toernooi. „Niet alleen je geheugen gaat achteruit, ook je fysieke kracht. Dat uit zich in de tijdnoodfase van een partij, na een uur of vier. Maar je merkt het ook in de loop van een toernooi.”

Toch waren er belangrijke uitzonderingen in de schaakgeschiedenis. De Zwitserse Rus Viktor Kortsjnoi behoorde tot zijn zestigste tot de wereldtop, net als de Rus Vasili Smyslov. Böhm: „Maar Kortsjnoi deed enorm veel aan zijn conditie. Hij zat in het trainingshonk, stond op zijn hoofd voor elke wedstrijd, deed aan yoga. Smyslov was geen groot drinker, rookte niet. Daar zal Jan op moeten letten. Hij is wat te zwaar.”

Terwijl de camera’s in het publiek zachtjes klikken doet Timman de openingszet tegen zijn Russische tegenstander Vladimir Potkin, regerend Europees kampioen. Alle ogen volgen Timman als hij zijn stoel naar achteren schuift en opstaat. Terwijl hij voorzichtig van zijn koffie slurpt gluurt hij even naar de opening van de partij van de Noor Magnus Carlsen (21). Dan slentert Timman geluidloos, in gedachten verzonken, via de tafel van de Oekraïense scholier Illya Nyzhnik (15) naar het bord van de Nederlandse tiener Anish Giri (17). Zeer gerespecteerde grootmeesters.

Dat is het probleem als je ouder wordt, zegt Ulf Andersson. De grote toernooien willen de jonge helden – schaakkinderen die groot werden met de laptop als leermeester, de iPad als secondant. „Als oudere schaker word je steeds minder uitgenodigd. En dus wordt het geld verdienen moeilijker. Ook al doe je mee, je moet maar afwachten of je wat wint. Het is een jungle”, zegt Andersson, net als Timman 60 jaar. Hij leeft van een kunstenaarsuitkering van de Zweedse staat.

Geld is volgens Böhm een van de redenen dat Timman graag toernooien speelt. „Jan is profschaker. Ook bij hem moet de schoorsteen roken. Maar bij oud-wereldtoppers zijn de gouden randjes eraf. Het is toch meer zwoegen en werken.”

Oude gewoonten slijten echter niet, ook niet bij Timman. Een dag eerder, tijdens de loting, had hij met pen en papier op het podium gestaan tussen de jonge garde – ook al stond het real time op internet. Bij de loting schreef je nu eenmaal mee, vroeger.

Böhm is nieuwsgierig naar de verrichtingen van Timman tussen de jonkies. „Dit is een mooi toernooi om te bepalen waar hij staat. Hoe hij zich houdt ten opzichte van de jongeren. Straks speelt hij tegen Nyzhnik, een zeer groot talent. Daar zitten drie generaties tussen.”

Toch houden de fans van Timman hun hart vast. „Het is belangrijk dat hij niet verliest”, weet perschef Bottema. „Dat heeft altijd een verwoestende uitwerking op hem gehad. En dat zal doorwerken in de volgende partijen. Op inzicht kan Jan ze nog steeds allemaal hebben. Maar ook conditie, concentratie en uithoudingsvermogen spelen een rol.”

Ook Böhm heeft zijn twijfels over Timmans fysieke kracht. „Ik weet niet wat hij aan zijn conditie gedaan heeft. Als je een aanstormende speler bent kun je dat makkelijker opbrengen. Maar als je in een terugvallende fase bent beland, komen alle geneugten als hongerige wolven op je af. Je was al nummer twee van de wereld, neem nog een lekker wijntje! Je moet een soort gedrevenheid hebben zoals Kortsjnoi had, dat je iets historisch wilt neerzetten.”

Dat geldt des te meer in de moderne schaakwereld, waar de kampioenen steeds jonger worden, analyseert Böhm. „Vroeger waren de wereldkampioenen boven de dertig. Tot Bobby Fischer, die werd in 1972 als 28-jarige wereldkampioen. Karpov was 24, Kasparov was 22. Dat heeft te maken met de computer. De leeftijdsfactor speelt een minder belangrijke rol. De computer reikt het je allemaal aan, je hoeft niet meer door al die fases heen. Het is een soort TomTom, die helpt je er doorheen.”

Timman teert op een schat aan ervaring, en zijn rijke verleden. Hij opent zaterdagmiddag met een rustige, knappe remise tegen de Europees kampioen – geen gekke dingen. Andersson: „Ik hoop dat hij het goed doet. Hij was altijd één van de beste vechters. Net als Kortsjnoi.” En Böhm: „Je kunt niet voorspellen hoe dit afloopt. Als je een keer instort tijdens zo’n toernooi, ruiken de tegenstanders bloed. Dan ben je aangeschoten wild, duikt iedereen op je, terwijl ze bij anderen tevreden zijn met remise. Dan zie je mensen soms helemaal instorten. In 2003 en 2004 gebeurde dat ook met Jan. Toen werd hij laatste in de A-groep. Dat was al treurig. Niemand wilde dat graag zien, maar het gebeurde wel. In de B-groep is dat risico wat minder. Maar ik vind het mooi om te volgen. Jan heeft heel veel betekend voor het schaken.”