Vaandeldragers van het nieuwe CDA 'De letter C in CDA is verwarrend'

Zes wethouders van het gepijnigde CDA gingen met NRC Handelsblad een dagje naar de hei. Ze zijn ambitieus en bovenal pragmatisch. Zij willen een einde aan het sorry-dat-ik- besta-CDA

Aan het eind van een lange dag in afzondering, na het diner in een door witte gordijnen afgeschermde en met roze lampen verlichte ruimte, neemt Jan-Jaap de Haan het woord. Hij spreekt namens de groep, zegt de CDA-wethouder uit Leiden een tikkeltje plechtstatig. Hij laat een stilte vallen. „Als het CDA niet bestond, zouden wij het oprichten. Hier. Nu. En vol overtuiging.”

Zes jonge CDA-wethouders die de komende jaren de partij willen veranderen, reisden op verzoek van deze krant naar de Veluwe om te vertellen over zichzelf, hun werk en hun „club”, zoals ze dat zelf zeggen. Vijf werken in grote steden: Leiden, Amersfoort, Leeuwarden, Rotterdam, Tilburg. De Purmerendse wethouder Mona Keijzer vertegenwoordigt ‘slechts’ 79.000 inwoners, maar doet qua politieke invloed niet onder voor haar collega’s: ze maakt deel uit van het Strategisch Beraad, de door partijvoorzitter Peetoom ingestelde commissie die een nieuwe koers voor de partij uitzet.

„Wij zijn de vaandeldragers van onze generatie”, zegt De Erik de Ridder (33) uit Tilburg. Ze hebben dan ook nogal wat talenten in huis, zo laten ze desgevraagd weten.

„Ik kan enthousiasmeren.”

„Ik ben doortastend.”

„Ik ben trots op mijn positiviteit.”

„Ik weet wat ik wil en waar ik voor sta.”

„Ik ben eerlijk.”

„Ik kan goed analyseren.”

„Ik blijf kalm in netelige situaties.”

En, misschien wel het belangrijkst voor het CDA van morgen: „Wij zijn geboren met de drive om het te gaan doen.”

Wat vooraf ging: de onderhandelingen

Makkelijk was het niet deze groep samen te brengen voor een heidag, zoals een dag vrijuit over de toekomst praten in het bedrijfsleven of bij politieke partijen heet. Weken van onderhandelingen over voorwaarden en vereisten gingen eraan vooraf. Een selectie.

Die lunch op het programma; wat zou de kiezer denken van een politicus die broodjes eet op kosten van een krant?

Het hotel, Landgoed Avegoor te Ellecom, dat zat ze dwars. Met name het woord ‘landgoed’. Wat dachten de verslaggevers van een Van der Valk – vast goedkoper. „En dat we blijven slapen is uitgesloten.”

En wie was de mystery guest die het programma met een privéoptreden kwam opluisteren? Claudia de Breij? Leuke cabaretière, fijn dat ze wil, maar dat ging dus niet door. „Het levert een oncontroleerbare situatie op”, liet een wethouder via zijn woordvoerder weten.

Kort voor de ontmoeting kwam nog een laatste mailtje: of het programma niet verder kon worden ingekort. „Ik heb nog nooit zo’n lang interview gegeven”, moppert Hugo de Jonge (34) uit Rotterdam na aankomst. „Het is ongeveer de tijd die ik met Kerst aan mijn schoonouders kon besteden.”

Deze groep wethouders straalt bovenal vertrouwen uit, de malaise binnen hun partij ten spijt. Het CDA heeft vier verkiezingen op rij verloren. Een leider heeft zich na twintig maanden nog niet aangediend. Uit onderzoek blijkt dat veel Nederlanders niet meer begrijpen waar de partij voor staat. Deze mannen en vrouwen geloven echter rotsvast in de toekomst van hun partij.

Het gesprek met de zes is bewust midden in deze cruciale maand voor het CDA gepland. De regeringspartij wil hervormen, en dat moet nú beginnen. De afgelopen dagen kwam het gevecht over de toekomst in een stroomversnelling. De regionale bestuurders maakten publiek dat ze zich zorgen maken over hun macht, vicepremier Maxime Verhagen wordt bij nader inzien toch niet de nieuwe partijleider, enkele partijgenoten in Limburg hintten op een afscheiding en onderdelen uit het conceptrapport van het Strategisch Beraad lekten uit.

Die hervormingscommissie maakt vrijdag de partijkoers voor de komende tien à vijftien jaar bekend, een dag later volgt een ingelast partijcongres. Dan moet er ook – uit zichzelf, zegt de partij altijd – een leider opstaan.

De wethouders – de jongste is 33, de oudste 43 – willen zelf nog niet zeggen of de partij links- of rechtsom moet. Maar ze maken wel een goede kans om de verhoopte wederopstanding van heel nabij mee te maken en te bepalen hoe dat nieuwe CDA eruitzien.

De kennismaking: koffie, koekjes en het geloof

Het wethouderschap is serieus werk. Deze wethouders hebben bijna allemaal een (deeltijd-)chauffeur en iemand die hun toespraken schrijft. Ter indicatie: een wethouder in een stad van honderdduizend inwoners heeft een basissalaris van 7.703 euro per maand. Daar staan standaard werkweken van „zestig, zeventig, tachtig uur” tegenover.

Ter introductie – de meeste wethouders kennen elkaar niet – doen wij een spel. Beantwoord de vragen in het kladblok voor je op tafel. Wat deden uw ouders? Docent, ambtenaar, sportpsycholoog, chirurg, raadslid, schoonmaakster. Wat wilde u worden als kind? Piloot, brandweerman, politieagent, nog een keer piloot, burgemeester. Aan welke goede doelen geeft u? Artsen Zonder Grenzen, Stop AIDS now, of gewoon „het CDA”.

Tijdens de kennismaking blijkt dat iedereen in God gelooft, maar dat de kerkgang nogal verschilt. De één komt er maandelijks, een ander „een aantal keer per jaar”, weer een ander „nu en dan”. Alleen De Jonge zegt elke week te gaan.

Wie de wethouders boos wil krijgen, vraagt dan ook naar de rol van geloof in hun partij. Het CDA is geen „geloofsgemeenschap of zo”, vat Erik de Ridder uit Tilburg het samen. Dat er tien- à twintigduizend kinderen misbruikt zijn in de katholieke kerk, zoals partijgenoot Wim Deetman vaststelde, vindt hij vreselijk, maar „als politicus” zou hij er nooit over beginnen. „Als mensen mij er al naar vragen, dan antwoord ik meer als vader. Ik breng de SP toch ook niet in verband met Noord-Korea?”

Ligt het voor een CDA’er niet voor de hand om met zijn of haar kiezers over het geloof te praten? Nee. „Soms spreken mensen me aan in een debat op mijn geloof”, zegt Gert Boeve (35) uit Amersfoort. „Dan word ik echt kwaad. Het is irrelevant voor een politiek debat wat ik geloof.”

Er staat, zegt ook Thea Koster uit Leeuwarden, „niet in het verkiezingsprogramma dat er een hemel is”.

Haar collega Jan-Jaap de Haan (37) zou het „vreselijk” vinden om tijdens een campagne te moeten zeggen dat hij „als christen” goed is voor een lager begrotingstekort, zoals Amerikanen dat doen. „Het is aanmatigend om het geloof erbij te halen in de politiek.” De Leidse wethouder hoort ook regelmatig dat hij als CDA’er voor een ruimhartig minimabeleid moet zijn. „Want als christen ben ik toch voor hogere uitkeringen? Niet dus, maar daar heb ik aardig wat woorden voor nodig.”

Volgens De Haan zorgt de letter ‘C’ in de naam van zijn partij voor verwarring. „Als we, zoals sommige zusterpartijen, gewoon Volkspartij hadden geheten, hadden we deze discussie niet gevoerd. Dan lag het voor ons ook niet zo gevoelig.”

De wandeling: regen en de snelheidslimiet

De bedoeling was een fijne boswandeling te maken. Maar het regent, dus de paraplu’s gaan open. Er wordt heen en weer gedrenteld, de geplande vijf kilometer zien ze niet zitten, Thea Koster roept dat ze weer naar binnen wil. „M’n haar.”

Links of rechts, probeert Mona Keijzer (43) dan een oplossing te forceren. „Middendoor”, grinnikt De Jonge, die de leiding heeft genomen. „Net als het CDA.”

Dan begint het weer te regenen. „Terugkeren”, gebaart Koster. De stemming wordt jolig als een collega een andere CDA-kwaliteit onder de aandacht brengt: verantwoordelijkheid nemen. Met dat argument – het land moest immers bestuurd – verdedigen CDA’ers graag hun huidige kabinetsdeelname. Maar betekent dat verantwoordelijkheid nemen nu, in de regen, niet juist dóórgaan? De Haan: „Laten we de verantwoordelijkheid nemen geen kou te vatten.”

Over de parkeerplaats voor de ingang van het landgoed scheurt een Audi TT. De groep deinst geschrokken terug. Was het CDA niet voor een snelheidslimiet van 130? Jan-Jaap de Haan kan niet om de suggestie lachen. Zuinigjes: „Zo’n grap kan slecht overkomen bij mensen.”

De wandeling kende ook een opdracht: zoek een voorwerp dat je relatie met de partij symboliseert. Koster ziet het niet zitten. „Ik ben er slecht in om dingen te doen waar ik geen zin in heb. Schrijf dat maar op.”

Ook De Jonge, de onderwijswethouder die aan de pabo studeerde, moet weinig hebben van deze „pabo-opdracht”. Hij pakt een stevige steen van de grond, begint te lachen en begint over rotsvast vertrouwen, iets met een partij die zo stevig als steen is.

Bij terugkomst op het landgoed wordt een groepsfoto gemaakt. Als de Uggs, vooral onder tieners populaire laarzen, van Mona Keijzer maar niet in beeld komen. De groep wil hip en jeugdig overkomen, maar er zijn grenzen. En daar staan ze, op een rijtje. „Toch wel heel wat bij elkaar, hè”, zegt Erik De Ridder. Ze kijken trots de camera in. Is dit nou het kabinet-Koster 1?

„Huh?”, vraagt Mona Keijzer. „Koster?”

„Thea”, roept iemand.

Keijzer: „Oh ja. Kóster.”

De middagsessie: chardonnay en trekkers

De relatie tussen het CDA en de steden is problematisch. Het aantal gemeenten waar het CDA bij de verkiezingen van vorig jaar als grootste uit de bus kwam, daalde van 330 naar 74. Het zijn vooral de kleinere steden in plattelandsgebieden als Friesland, Salland en Twente waar de christen-democraten nog scoren. Elders daalde de aanhang naar – in de woorden van het officiële evaluatierapport – „zeer marginale percentages”. In Groningen, Rotterdam, Utrecht en Purmerend stemt nog maar 6 procent op het CDA, in Almere 5 procent, in Amsterdam 3 procent.

De wethouders zagen de eerste tekenen van die neergang twee verkiezingen geleden, in 2006, toen de landelijke partij in Den Haag nog stevig in het zadel zat en Jan Peter Balkenende bezig was met zijn reeks van vier kabinetten.

Ze vertellen smalend over het verkiezingsmateriaal dat het partijbureau in Den Haag hun toezond: met trekkers erop. Wethouder De Haan uit Leiden dacht: „Oh shit.” Dat werkt niet op het Rapenburg. „Toen wij belden met de vraag waar die posters bleven met CDA Lijst 6, werden we uitgelachen: die hadden ze simpelweg nog nooit gemaakt.”

Ervaring met tegenslag werkt nu in hun voordeel. Het maakt de wethouders uitermate geschikt om de komende jaren het gezicht te worden van het nieuwe CDA. Vinden ze zelf. Want zíj weten „allang hoe het is om niet op de zegewagen de stad binnengereden te worden”, zegt De Ridder uit Tilburg. Zij weten hoe het is je te schikken naar de eisen van anderen in plaats van zelf het voortouw te kunnen nemen in onderhandelingen. En: „wij hebben al lang geleden een nieuwe generatie aangewezen die het moet doen. Wij dus.”

Het signaal is duidelijk: het CDA in Den Haag loopt achter. Op deze zes.

Dus? Wie van hen wordt minister? Of beter nog: de nieuwe partijleider?

De Haan: „Dat wij ergens opduiken, is wel de verwachting.”

Boeve: „Het wethouderschap is een prima vooropleiding. Ik hoop en verwacht dat CDA-wethouders in een volgende regering zitten.”

Koster: „Nieuwe gezichten.”

Boeve: „Jonge mensen uit de steden...”

Ze lachen, kijken de tafel rond.

Boeve weer: „Ik heb een hele sterke voorkeur voor een jong iemand uit de stad. Goed voor het landsbestuur.”

Koster: „Het moet iemand zijn die vertrouwen opwekt.”

Keijzer: „Met een positief verhaal: daar hebben de mensen behoefte aan.”

Boeve: „Ik wil een CDA-partijleider die niet op de foto gaat met de molens op de Kinderdijk, maar die op de Coolsingel of het Centraal Station in Utrecht staat. Niet met zijn poten in de klei, maar met zijn voeten op de markt.”

De zes van Avegoor laten de precaire staat van de partij met gemak van zich afglijden. Dat veel CDA’ers zich niet gehoord voelen of zelfs beledigd zijn? „Er wordt tenminste gediscussieerd”, vindt Erik de Ridder, de meest zwijgzame van het stel. Dat de partij in peilingen lager staat dan ooit tevoren? „Als ik díé moet geloven”, zegt Thea Koster opgewekt, „moet ik elke week iets anders zeggen om populair te blijven.” Dat het CDA geridiculiseerd wordt op straat en tv? „Ik maak me pas zorgen als cabaretiers geen grappen meer over het CDA maken”, zegt Gert Boeve. En dat er volgens sommigen problemen zijn binnen de partij... „Ach”, vindt Koster, „probleem vind ik zo’n negatief woord.”

Ze vinden dus ook geen van allen dat ze op het verkeerde moment bij de verkeerde partij zitten, dat ze een carrière hebben bij een organisatie die er slecht voorstaat of zelfs eindig is. Integendeel. Grenzeloos optimisme.

Want, echt, het is „een héérlijke tijd” om lid te zijn van het CDA, betoogt Mona Keijzer. Al zou de partij bij de volgende verkiezingen nog een keer gehalveerd worden of zelfs weggevaagd in sommige steden, „we gaan hoe dan ook door met wat we doen!”

Jan-Jaap de Haan, droogjes: „Het is wel handig als we een paar zetels zouden behouden om dat te doen.”

Het diner: vier gangen en een beetje betrokkenheid

Het zestal zit aan een lange witte tafel, op transparante stoelen, afgeschermd van andere gasten.De een heeft mes en vork al in de hand, de ander doet een poging het glas te heffen op het CDA.

Dan klinkt, vanuit het niets, de bulderende stem van Hugo de Jonge. „Zullen we beginnen”, werpt hij zijn collega’s bestraffend toe. Ogen worden gesloten, handen gevouwen. Voor het eerst in zes uur tijd heerst er een doodse stilte. „Amen.”

Na een moment voor jezelf nu een moment voor de partij. Hoe verder met het CDA? „We moeten natuurlijk geen stommetje spelen. We hebben een enorme klap op onze kop gehad”, vindt Boeve. „We balen ervan hoe het gaat.” Volgens De Ridder kan de partij „niet goed overbrengen wat zij wil”. Hij snapt het ook wel: „Nederland is uitgekeken op het CDA.”

Helemaal gek is dat niet, vinden ze zelf. Het CDA is zó lang aan de macht geweest – decennia – dat compromissen sluiten gewoon is geworden. De Haan: „De partij is er als geen andere goed in om dan dat compromis te verdedigen alsof dat een doel op zich was. Alsof er geen eigen uitgangspunt aan voorafging.” Hij wil „de worsteling” voelen.

Volgens Koster zijn kiezers „de partij zat” en De Haan vreest dat het CDA tegenwoordig voor „een zieltogende klompendansclub” doorgaat. Een voorbeeld van hoe die kritiek in het land doorwerkt: De Haan vertelt dat hij „heel hard werkte” aan een nieuw poppodium voor de stad. Tot zijn teleurstelling oordeelden critici dat het „een vast faillietgaand prestigeproject” was van „een wethouder die nog even wil pronken voor hij de overstap naar Den Haag maakt”.

De zes wethouders worden niet graag vergeleken met hun landelijke collega’s. Gepaste afstand graag. Maar op de vraag waarin zij van hen verschillen, blijven zij het antwoord schuldig. Hebben ze een andere stijl? Goed, ze twitteren – maar dat doen velen. Ze proberen hun familieleden te beschermen tegen opdringerige stadsgenoten („mijn kinderen willen niet mee naar de Albert Heijn, het duurt altijd zo lang”), maar maken hen net zo makkelijk onderdeel van het spel: „Mijn vrouw koos voor mij en ze weet dat politiek bij het pakketje hoort.”

Waarin deze groep het meest verschilt van oudere, machtige partijgenoten: ze zijn in staat hun schouders op te halen over de malaise binnen de partij. Het moet uit zijn met het zelfmedelijden, stelt De Jonge vast. „Wij zijn het einde van het sorry-dat-ik-besta-CDA.”

En ze weten hoe de wereld om hen heen veranderd is. Neem Jan-Jaap de Haan die via Twitter opriep mee te schrijven aan de cultuurnota. Achthonderd Leidenaren deden mee. Of neem Thea Koster die in een verloren uurtje via Twitter een uitnodiging de wereld in stuurde: iemand zin langs te komen voor een praatje?

Verwacht niet dat deze jonge politici uit zichzelf met politiek-theoretische vergezichten komen, of dat ze exposés geven over hoe Nederland moet veranderen. Misschien ging Gert Boeve nog wel het verst toen hij zei dat hij in Amersfoort alle wijkcentra sloot. Geen subsidie meer, het moet over zijn met dat soort afhankelijkheid. Daardoor nemen mensen meer verantwoordelijkheid voor hun eigen buurt.

Zó werkt hun betrokkenheid, die vooral functioneel is. „Ik wil graag mensen hélpen”, zegt Koster. „In hun eigen kracht zetten”, zoals ze dat bij het CDA noemen. Ze zegt dat macht geen drijfveer is, invloed hebben wel. „Ik heb echt een idealistisch beeld dat ik kan bijdragen aan de stad – of het land – met de talenten die ik gekregen heb.” Kan dat dan niet in het bedrijfsleven? „Dit geeft mij een veel beter gevoel dan het managen van een onderneming.”

Ook De Jonge wil dat zijn inwoners vooral eigen verantwoordelijkheid kunnen nemen. Zo zijn scholen geen plek om alleen maar iets te hálen. Ouders moeten er ook zelf voor zorgen dat het beste uit hun kinderen wordt gehaald.

Waarin deze wethouders zich ook onderscheiden: ze zijn uitgesproken ambitieus en competitief. Zéér competitief, onderstreept Koster: „Het zou ook wel wat minder mogen, want ik wil altijd winnen.”

Gert Boeve begrijpt niets van mensen die spelletjes spelen terwijl ze niet uit zijn op een overwinning. „Dat heb ik ook als wethouder. Waarom speel je dan mee, vraag ik mij af.”

Met medewerking van Adinda Akkermans en Marit van Kooij