Sla geen munt uit de oorlog

De euro rechtvaardigen door dreiging met terugkeer van oorlog in Europa kan niet langer, stelt Paul Scheffer. De EU staat of valt met de instemming van burgers. Europa heeft een nieuwe legitimatie nodig.

Het zijn beelden die beklijven: een berouwvolle Willy Brandt op zijn knieën in het getto van Warschau; Helmut Kohl en François Mitterrand hand in hand op het slagveld van Verdun en recentelijk Vladimir Poetin en de Poolse premier Donald Tusk bij het massagraf in Katyn. Deze verzoenende gebaren markeren de schuld en schaamte over oorlogen die Europa zichzelf en de wereld heeft aangedaan. En anders dan velen dachten, zijn die emoties met het verstrijken van de tijd niet afgevlakt.

Zo kwamen de afgelopen maanden uit Polen, Frankrijk en natuurlijk Duitsland waarschuwende, zeg maar gerust dramatische woorden: de mislukking van de euro betekent dat de kans op oorlog in Europa sterk toeneemt. Angela Merkel was uitgesproken: „De geschiedenis leert ons dat landen die een gemeenschappelijke munt hebben geen oorlog met elkaar voeren.” EU-president Herman van Rompuy gaf de kortste versie: „Met de euro valt de Unie en daarmee de grootste garantie op vrede.”

Politici wordt verweten dat ze enkel oog hebben voor de korte termijn, maar de Europese eenwording laat het vermogen zien om te leren uit het gewelddadige verleden; een verleden dat altijd weer kon terugkeren. De grondlegger van de integratie, de Fransman Jean Monnet, sprak al in zijn memoires over „de vrees dat we binnen afzienbare tijd opnieuw met oorlog zouden worden geconfronteerd”. Er moest iets gebeuren „voordat het te laat was”.

De Frans-Duits-Poolse gevarendriehoek die dit najaar werd opgezet kent dus een lange voorgeschiedenis. ‘Europa’ is het laatste grote beschavingsideaal, met alle taboes die erbij horen. Het doel is zo beladen dat over de middelen moeilijk een rationeel debat kon worden gevoerd. Dat valt al bij het ontwerp van de kolen- en staalgemeenschap op. Volgens Monnet waren vanaf dat moment „de methode, de middelen en het doel onlosmakelijk verbonden”.

Een politicus als Helmut Kohl handelde naar die overtuiging: zonder verankering van zijn land in een muntunie zouden de geesten uit het verleden weer terugkeren. Je zou deze oorlogstaal kunnen zien als een chantage met goede bedoelingen. Velen vielen in een parlementair debat over Frits Bolkestein heen toen hij zich in 1996 afzette tegen Kohl: „In het kort komt zijn mening dus op het volgende neer: de integratie van Europa moet lopen zoals wij willen, anders komt er oorlog met de Bondsrepubliek.”

Die kortsluiting van munt en vrede wordt nu opnieuw uitgedragen. Dat is het ‘onderbuikgevoel’ van Europa. De Groningse historicus Eelco Runia schreef over ‘historische’ besluiten dat „hoe meer er op het spel staat, hoe minder we het volle verstand gebruiken”. De euro is volgens hem zo’n grensverleggend besluit: „Het dwingt om te veranderen op een manier en in een mate die we in normale omstandigheden nooit zouden opbrengen” (de Volkskrant, 24 december).

Het is niet gemakkelijk om tegen ‘dat nooit meer’ te argumenteren, al was het maar omdat het strookt met mijn eigen gevoel. Heel lang heb ik gezworen bij de gedachte dat de verwijzing naar de oorlog het hart van de Europese gedachte moet zijn. En toch is het gebruik van ‘dat nooit meer’ steeds problematischer geworden. De angstbeelden over een mogelijke terugkeer van gewelddadige conflicten leiden de aandacht af. Sterker nog: het beroep op de oorlog is uitgeput en verbruikt.

Een belangrijke les uit de eurocrisis is dat Europa te weinig onderwerp is geweest van een democratisch debat. Dat bleek al tijdens het referendum over de ‘grondwet’ in 2005. Mensen die ‘nee’ wilden stemmen moesten telkens de vraag beantwoorden: ‘Maar hebt u de tekst eigenlijk wel gelezen?’ Degenen die vóór wilden stemmen werd die vraag nooit gesteld. Zij stonden immers aan de goede kant van de historische afrekening.

Wat dat betreft leidt het ‘nooit meer oorlog’ al snel tot een democratisch tekort. Ik herinner me een gesprek met Hans van Mierlo, die net was benoemd tot lid van de conventie die de Europese grondwet moest voorbereiden. Tot zijn afschuw zat ook de ‘neofascistische’ politicus Gianfranco Fini in deze conventie. Wat was het probleem met deze Italiaanse parlementariër, die overigens niet lang daarna gewaardeerd voorzitter van de Italiaanse volksvertegenwoordiging werd? Fini was tegen ‘meer’ Europa en hoe kon die dan meepraten over de toekomst van de Unie? Zacht gezegd vond ik dat een merkwaardige opvatting, zeker voor de pleitbezorger van directe democratie via referenda.

Europa staat of valt met de instemming van burgers, met democratische verantwoording. Het referendum over de grondwet – toen 61 procent tegenstemde – was toch een teken aan de wand. Minister Donner zei toen in een uiterste poging om weerspannige kiezers op andere gedachten te brengen: „Joegoslavië was meer geïntegreerd dan de Unie nu, maar de onwil en het onvermogen om onderlinge irritaties en wedijver te beperken, hebben in korte tijd tot oorlog geleid.” Kenmerkend was dat hij niet leek te begrijpen dat het autoritair geleide Joegoslavië juist door het ontbreken van democratie niet werkelijk was geïntegreerd.

Te weinig werd nuchter gesproken over kosten en baten, over doel en middelen. Nooit is duidelijk gemaakt dat met het ontstaan van een lotsgemeenschap in Europa Berlusconi ook onze politicus is, dat de begrotingstekorten van Griekenland ook onze begrotingstekorten zijn, dat de illegalen die in Spanje worden gelegaliseerd ook onze burgers van de toekomst zijn. Je kunt ook zeggen: we exporteren in Europa stabiliteit, maar importeren ook instabiliteit. En dan nog kunnen de voordelen opwegen tegen de nadelen, maar het moet er wel bij worden verteld.

Door deze crisis is het gedaan met de vermijding van Europa: het huidige conflict dwingt tot verantwoording, die moeilijk is omdat er veel te lang mee is gewacht. Maar goed, zelfs bij de praatprogramma’s op de late avond gaat het nu over de euro. Een nieuwe verbeelding van Europa ontstaat: ontnuchterd en tegelijk verplichtend. Zoals Luuk van Middelaar – werkzaam bij van Rompuy – schreef: we maken niet de ‘renationalisering van de Europese politiek’ mee, maar de ‘europeanisering van de nationale politiek’ (NRC Handelsblad, 10 december).

Voorbij het ‘dat nooit meer’ is een nieuwe rechtvaardiging van de Europese integratie noodzakelijk. Die moet beginnen bij de verschuiving van machtsverhoudingen in de wereld, die door de eurocrisis wel heel pregnant is blootgelegd. Het is veelzeggend dat Europese landen een beroep doen op ‘ontwikkelingslanden’ als China en Brazilië om bij te dragen aan een noodfonds.

De schuldenberg van het Westen en het overschot in China wijzen op een fundamentele verandering in de wereld. Er ontstaan meer polen in de wereldeconomie. En, nog belangrijker, de opkomst van China staat niet op zichzelf. Er is een grote convergentie tussen armere en rijkere landen in de wereld gaande en dat is goed nieuws. Dat was toch de droom van alle ontwikkelingssamenwerking. Meer dan driekwart van de landen in ontwikkeling liet in de afgelopen tien jaar een hogere groei zien dan Amerika of Europa.

Een nieuw verhaal over ‘Europa’ moet dan ook niet meer Berlijn, maar Bejing als vertrekpunt kiezen; moet niet meer beginnen in Parijs maar in Sao Paulo. Anders gezegd: we kunnen Europa alleen als binnenland ervaren als we ons een voorstelling maken van een nieuw buitenland. Het ‘nooit meer oorlog’ is een vorm van eurocentrisme. Op een onbedoelde manier richt het de blik naar binnen, terwijl een wezenlijk motief voor de integratie buiten het continent ligt.

Als gesproken wordt over de rechtvaardiging van Europa dan ligt die allereerst in een wereld waarop continentale mogendheden als China, Amerika, India en Brazilië hun stempel zullen drukken. ‘Europa’ is de enige schaal om een eigen samenlevingsmodel vorm te geven in de wereldeconomie. Als dat klopt gaat Europese integratie niet om soevereiniteitsverlies, maar om toegenomen invloed door gezamenlijk handelen. De euro kan daar in beginsel aan bijdragen, zoals Mark Leonard van een Europese denktank zegt: ‘Een mondiale munt is een grote bron van macht’ (de Volkskrant, 10 december).

Een andere les uit de eurocrisis is dat economische integratie zonder politieke integratie niet werkt. Een gemeenschappelijke markt dwingt op tal van terreinen om samenwerking. Na de opheffing van de binnengrenzen is immers de prangende vraag: hoe beschermen we onze gemeenschappelijke buitengrens? Daar ligt een belangrijk tekort: pas wanneer de Unie naast openheid ook bescherming biedt, kan een nieuwe rechtvaardiging voor de integratie worden gevonden.

Het grootste veiligheidsprobleem ligt niet in het hart van Europa – de Frans-Duitse rivaliteit die Jean Monnet slapeloze nachten bezorgde – maar aan de randen. Dat die grens nu zo ver in het Oosten ligt is de grootste bijdrage van de Unie aan de vrede in Europa. Het is moeilijk om te zien wat niet is gebeurd, maar had kunnen gebeuren. Zonder de discipline die uitging van het vooruitzicht om bij de Unie te gaan horen, was er meer misgegaan in wat nu een tamelijk vreedzame overgang is geweest van het communisme naar de democratie.

De uitbreiding van de Unie is een grote verworvenheid. Maar die heeft wel een prijs. Door de uitbreiding grenst de Unie nu overal aan instabiele regio’s. We zijn omgeven door een zone van landen die met Noord-Afrika, de Balkan, het Midden-Oosten en de voormalige Sovjet republieken tot de meest onveilige in de wereld behoort. De Unie moet dus vroeger of later ook een veiligheidsgemeenschap worden. En dat begint ermee een duidelijk idee te hebben over het onderhoud van een gemeenschappelijke buitengrens.

Daar komt nog iets bij. Sinds de toetreding van deze landen is de grensoverschrijdende misdaad uit het Oosten alleen maar toegenomen: „We exporteren niet alleen goederen, maar ook onze misdaad”, zegt een onderzoekster bij de Poolse politie (de Volkskrant, 15 december). Europa moet dan ook meer op terreinen als justitie en politie gaan samenwerken, anders kan de opening van binnengrenzen niet blijven rekenen op de steun van meerderheden. Het is een illusie om te denken dat een Europa dat niet op een aantoonbare manier bescherming geeft, weerstand kan bieden aan een opkomend populisme.

Deze conclusies gaan niet gemakkelijk samen. Een pleidooi voor ‘meer’ Europa kan het afleggen tegen een verlangen naar ‘meer’ democratie. Meerderheden kunnen immers kiezen voor ‘minder’ Europa. Ondertussen zijn we beland in de omgekeerde situatie: we zien dat ‘meer’ Europa vooral ‘minder’ democratie betekent: een nieuwe begrotingsunie wordt gehaast achter de rug van de kiezers in elkaar geknutseld. Dit is een riskante onderneming: de fouten die destijds zijn gemaakt bij de introductie van de euro worden nog eens overgedaan.

De kracht van de integratie was lange tijd dat voor- en tegenstanders van een federatie elkaar konden vinden in een tamelijk technocratische politiek van kleine stappen en voldongen feiten. In de jaren negentig groeide – ook bij iemand als de voorzitter van de Europese Commissie, Jacques Delors – de twijfel of met deze methode zoiets verstrekkends als een eenheidsmunt kon worden verwezenlijkt.

Het was een sprong in het diepe of zoals Van Rompuy het zegt: „De euro was een politiek project, dé manier om het herenigde Duitsland in een federaal Europa in te bedden’ (de Volkskrant, 24 december). Maar al is het een politiek project, dan nog is het een open vraag of de muntunie werkt. Het is immers onzeker of de onderliggende economische verschillen tussen de eurolanden niet te groot zijn. Ook is het twijfelachtig of begrotingsdiscipline – afgedwongen door Europese instanties – zal werken.

André Szász, die namens De Nederlandsche Bank veel van de onderhandelingen over de euro heeft gedaan, sprak al in 1998 zijn zorgen uit: „Mijn zorg is niet zozeer die ultieme vorm van mislukken, maar de veel waarschijnlijker vormen van mislukken die daaraan vooraf gaan. Namelijk grote spanningen, de overtuiging in Duitsland dat men erin is geluisd, daar ligt mijn zorg.” Zo gezien is de euro de kroniek van een aangekondigde crisis. De verwachting dat zo’n botsing tot nieuwe integratie zou leiden, deelde Szász niet: „Ik vraag me af of in zo’n klimaat landen bereid zijn hun lot verder aan elkaar te verbinden.” (NRC Handelsblad, 21 maart 1998).

Dat was geen gelijk achteraf, maar vooraf. We zijn tien jaar verder en de euro heeft inderdaad tot hoog oplopende nationale en regionale spanningen geleid. Noord en Zuid in Europa – beide overigens gelijkelijk verantwoordelijk voor wat er allemaal is misgegaan – staan als kemphanen tegenover elkaar. De munt die de bekroning van de eenwording moest worden is nu de grootste bedreiging ervan.

De eurocrisis is geen fataliteit, maar een uitnodiging tot verantwoording. Her en der wordt gezegd dat het tijd is voor hervormingen en niet voor verkiezingen. Teveel democratie wordt gezien als een bedreiging van de euro. De zachte bevoogding van Brussel dreigt te ontaarden en kan door het ontbreken van verantwoording tegenstellingen oproepen die men nu juist wil beteugelen.

België is nu het eerste land dat door de Europese Commissie tot verdergaande bezuinigingen wordt gedwongen. Er is zeker meer discipline nodig, maar de econoom Paul de Grauwe heeft gelijk: het „cijferfundamentalisme” – maximaal drie procent begrotingstekort – zal „de economische recessie dieper maken”. In democratisch opzicht is het een onhoudbaar systeem: „Het zijn nog altijd de nationale regeringen en parlementen die geconfronteerd zullen worden met de kiezers. De Europese Commissie gaat vrijuit.” (De Morgen, 9 januari 2012).

Als het zo is dat de euro gered kan worden door overdracht van wezenlijke begrotingsbevoegdheden naar Brussel dan moet met overtuiging om steun worden gevraagd. En als een muntunie altijd ook een transferunie is dan moet zo’n herverdeling tussen armere en rijkere regio’s worden gewild en verdedigd. Daar is ruimte voor, want een nieuw verdrag is gericht op de toekomst. Op de korte termijn is een overtuigend noodfonds gevraagd.

Mochten meerderheden in lidstaten na referenda of verkiezingen uiteindelijk van mening zijn dat een begrotingsunie een stap te ver is, dan is zo’n uitspraak bindend. De uiterste consequentie kan zijn dat landen uit de eurozone treden of dat de euro als geheel niet levensvatbaar blijkt. Democratie is uiteindelijk trial and error of zoals Szász opmerkt: „Er is altijd een weg terug, maar erg aantrekkelijk is die niet.” (Het Parool, 24 december).

Nee, erg aantrekkelijk is dat niet. Daarom doen politici als Merkel en Van Rompuy een beroep op angst en spreken ze in de overtreffende trap over oorlog. Maar als overtuigend kan worden aangetoond dat het einde van de euro economisch en politiek heel slecht uitwerkt, waarom is er zo weinig vertrouwen in de mogelijkheid om meerderheden daarvoor te winnen? Waarom vertrouwt men liever op de afschrikkende werking van het verleden dan op de aantrekkingskracht van de nabije toekomst?

We zijn terecht gekomen in een democratisch niemandsland. Geert Mak heeft in een essay vol sombere hartstocht goed uitgelegd wat er op het spel staat: „De legitimiteit van het Europese project nadert zijn grenzen, heeft die wellicht zelfs al overschreden.” Hij waarschuwt voor een ‘onvoorstelbare maatschappelijke en politieke terugslag’, allereerst in de zuidelijke lidstaten. Het sociale compromis staat overal zwaar onder druk. Mijn conclusie is dat we ons momenteel meer zorgen moeten maken over de vrede binnen naties dan over de vrede tussen de naties in Europa.

Het zoeken naar een nieuwe rechtvaardiging van Europa voorbij het ‘dat nooit meer’ is geen knieval voor een realisme van kosten en baten of een keuze voor de kleinste gemene deler. Integendeel: het ideaal is een markteconomie die wordt getemd door rechtvaardigheid, duurzaamheid en openheid. De vereniging van sociale democratieën is bij uitstek wat Europa als mogelijkheid aan de wereld toont. Dat is het doel, de middelen zijn daaraan ondergeschikt. Daarom is het wezenlijk dat we ons de vorige oorlog altijd blijven herinneren, maar er nooit meer munt uit slaan.

Paul Scheffer is columnist en hoogleraar Europese studies aan de Universiteit van Tilburg.