Praten over de dood is niet makkelijk

In de rubriek ‘Het laatste woord’ praten mensen over hun laatste levensfase.

Daaronder staat wekelijks een necrologie van een niet per se bekende persoon.

De Ombudsman van deze krant schreef vorige week vriendelijke woorden over deze serie. Ook plaatste hij, ‘als calvinist’, een opbouwend kritische voetnoot. Hij mist het verhaal van mensen die weerstand bieden aan de dood, bijvoorbeeld omdat ze het Oordeel Gods vrezen.

Het toeval wilde dat ik juist voor deze week een afspraak had om een vrouw te ontmoeten die heeft geleefd met een orthodox-christelijke levensvisie. Helaas kwam afgelopen maandag het bericht dat zij niet meer tot een gesprek in staat was.

Praten over de dood is niet makkelijk, en al helemaal niet voor een verhaal in de krant. En zeker niet om dan te vertellen dat het sterfbed voelt als een zwart gat waarin bang- en boosheid regeren.

Dit schreef een geestelijk verzorger in een ziekenhuis onlangs in een e-mail aan laatstewoord@nrc.nl: „De mensen in deze serie vertellen ontroerende verhalen, maar het is zeker niet vanzelfsprekend dat stervenden dit kunnen. In mijn gesprekken betreden we vaak heel omzichtig het terrein van leven en dood. Het gebeurt niet vaak dat een terminaal iemand onbevreesd en onbevangen zijn of haar situatie onder ogen ziet en daarover met een buitenstaander kan praten. Het is mooi als je zo’n duidelijk beeld van je levenseinde hebt en er zo over kunt vertellen. Maar ik ontmoet deze mensen niet vaak in mijn werk.”

De signalen van de Ombudsman en de geestelijk verzorger komen als geroepen. Zoals ieder mensenleven is ook deze serie langzaamaan op weg naar het einde.

Een blik achter de schermen is in deze slotfase op z’n plaats. Want inderdaad, uit de reeks gesprekken ontstaat geen representatief beeld van het gangbare denken aan de dood.

Langs allerlei wegen heb ik in het afgelopen jaar geprobeerd in contact te komen met mensen die de dood ontkennen, vrezen, dan wel bestrijden. Het is tot dusver niet gelukt.

De geestelijk verzorger, met wie ik naar aanleiding van zijn bericht nader contact had, vertelt dat hij met zekere regelmaat mensen begeleidt die aan de vooravond van een zware operatie door diepe vrees voor het hellevuur zijn bevangen. Als regel wordt dit kruis in stilte gedragen, of hooguit in de kring van familie en geloofsgenoten.

Het is bepaald niet alleen een last die onder orthodox-christelijke gelovigen wordt gevoeld. In vergelijkbare mate geldt dit onder moslims in Nederland, voor wie de dood als een uiterst beladen kwestie geldt. Dat een Turks-Nederlandse vrouw, Nilgün Büjür uit Haaksbergen, half december op deze plek vertelde over de dood van haar man en haar eigen verdriet, getuigt van dapperheid, omdat dit in een deel van haar omgeving zeer gevoelig ligt.

Een vrouw uit het Gooi mailde onlangs dat zij graag het verhaal van haar vader in deze krant opgeschreven zou zien. Ze meldde erbij dat het haar zwaar viel dit met haar vader te bespreken. Daarom wilde ze vooraf nagaan of hij „kans zou maken op een interview”. Op mijn bevestiging volgden enkele weken van stilte, waarna de afspraak tot stand kwam. Enkele uren voor de ontmoeting ontving ik per sms het bericht dat de vader inmiddels „te ziek was”, helaas. Toen ik een week later per mail belangstellend bij de dochter informeerde hoe het met haar vader ging, luidde het antwoord: „Hij is redelijk opgeknapt, maar hij wil absoluut geen interview meer geven. Hij heeft besloten dat hij nog lang niet doodgaat.”

Een stichting, STEM, die zich inzet voor een minder beladen omgang met de dood, heeft onderzoek laten doen naar de houding die Nederlanders aannemen tegenover het levenseinde. Ruim 1.500 volwassenen zijn hiervoor ondervraagd. In vijf groepen laten zij zich ruwweg indelen, zo blijkt uit de peiling.

Omstreeks een derde van de Nederlanders is bang voor de dood en praat niet of hooguit moeilijk over die angst, een stilzwijgen dat vaak tot in het graf standhoudt. Bijna een vijfde leeft mét de dood, zonder taboe op gesprekken over en voorbereiding op het levenseinde. Ruim een vijfde plukt de dag en denkt nooit aan de dood. Bijna een zevende verdringt iedere gedachte aan de eigen sterfelijkheid. De kleinste groep, iets meer dan een tiende van alle Nederlanders, leeft in vrede met de dood, vertrouwend op het leven erna.

Het is, vermeldt de stichting STEM erbij, geen poging om mensen ‘in hokjes te stoppen’. Het is een rubricering die vooral is bedoeld als handreiking aan direct betrokkenen en zorgverleners. Het biedt herkenning en wil laten begrijpen dat mensen zich op zeer verschillende manieren tot de dood verhouden, wat kan helpen bij de verzorging en gesprekken in de laatste levensfase.

‘Goed, dit was mijn leven, ‘t is op’, luidde de kop boven het stuk dat op oudejaarsdag op deze plek verscheen. Het was een uitspraak van Leen Olivier (1943), die op dat moment verbleef in een hospice in zijn woonplaats Dirksland.

Vanmorgen stuurde zijn zus het bericht dat hij afgelopen donderdagmiddag is overleden. „We hebben de kop van het stuk uit de krant bovenaan op de rouwkaart gezet. Mooi toch?”

‘Goed, dit was mijn leven, ‘t is op.’ Het is bepaald niet iedereen gegeven het leven op de rand van de dood zo kernachtig samen te vatten.

Tekst & foto’s Gijsbert van Es

Twitter: #hetlaatstewoord